CvAE Adviezen

Commissie van Aanbestedingsexperts

Doorzoek 464 adviezen van de Commissie van Aanbestedingsexperts over aanbestedingsrecht en -procedures. De CvAE behandelt klachten van ondernemers en aanbestedende diensten over de toepassing van de Aanbestedingswet 2012.

Advies 32121 juli 2016

Advies 321

> Aanbesteding van schoonmaakdiensten van een museum. Beklaagde heeft twee kerncompetenties gedefinieerd: 1. Ervaring met het schoonmaken van multifunctionele gebouwen en 2. Ervaring met het schoonmaken van publiekelijk toegankelijke panden met zeer wisselende gebruiksintensiteit. De Commissie constateert dat beklaagde bij de eerste kerncompetentie onderscheid maakt tussen ruimten en functies, maar dat onderscheid in haar Selectieleidraad niet heel strikt en consequent heeft aangebracht en toegelicht. Ten aanzien van de weging van het aantal functies, is naar het oordeel van de Commissie in de Selectieleidraad niet duidelijk vermeld dat dit aantal met een soort wiskundige formule wordt omgerekend tot een score. Er staat immers in de Selectieleidraad: ‘hoe meer vergelijkbaar met die van beklaagde, hoe beter’. Dat is naar het oordeel van de Commissie niet hetzelfde als: ‘hoe groter dit aantal, hoe beter’, wat kennelijk de regel is die beklaagde heeft toegepast. De Selectieleidraad is derhalve onvoldoende transparant. Ten aanzien van de beoordeling van de tweede kerncompetentie overweegt de Commissie dat hierbij drie aspecten een rol spelen en dat die aspecten even zwaar tellen. Beklaagde heeft alleen een motivering gegeven die een puntenaftrek met betrekking tot het tweede aspect kan rechtvaardigen terwijl zij voor wat betreft het eerste en het derde aspect naar het oordeel van de Commissie geen reden had puntenaftrek toe te passen. Omdat een gegadigde met zijn referentie voor kerncompetentie 2 maximaal 10 punten kon verdienen, is beklaagde naar het oordeel van de Commissie afgeweken van de in de Selectieleidraad vastgelegde beoordelingsmethode door aan klager voor deze referentie slechts 3 punten te geven.

Advies 31920 december 2016

Advies 319

> Gezamenlijke Europese niet-openbare aanbesteding van drie aanbestedende diensten voor ongevallenverzekeringen voorafgegaan door meervoudig onderhandse gunning van organiseren van de aanbesteding (1) en contractmanagement (2) aan advieskantoor X. Klager stelt dat de onderhandse gunning niet toegestaan zou zijn, dat makelaars ten onrechte uitgesloten zijn van deelneming aan de aanbesteding en dat er een belangenconflict zou zijn met betrekking tot X. Op basis van de beperkt beschikbare informatie en de analyse daarvan door de door de Commissie ingeschakelde expert, acht de Commissie het voorshands aannemelijk dat met de opdrachten 1 en 2 van alle beklaagden tezamen de Europese drempelwaarde van € 207.000 niet wordt overschreden. De Commissie overweegt dat het beklaagden weliswaar vrij stond om af te zien van het uitvoeren van een Europese aanbestedingsprocedure voor deze twee opdrachten, maar dat zij het bepaalde in art. 1.4 lid 1 onder a en b jo. art. 1.4 lid 3 Aw 2012 in acht dienden te nemen. Deze bepalingen houden allereerst in dat beklaagden zowel met betrekking tot opdracht 1 hun keuze voor toepassing van de meervoudig onderhandse procedure en de keuze voor de toelating van (onder meer) X tot die procedure, als met betrekking tot opdracht 2 de keuze voor enkelvoudig onderhandse gunning van de opdracht aan X, op basis van objectieve criteria dienden te bepalen. Op grond van artikel 2:27 Wet op het financieel toezicht (Wft) is het een ieder met zetel in Nederland verboden zonder een daartoe door de Nederlandsche Bank verleende vergunning het bedrijf uit te oefenen van levensverzekeraar of schadeverzekeraar. Op grond van artikel 2:92 Wft is het verobden in nederland zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning op te treden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent. Slechts verzekeraars of gevolmachtigde agenten mogen op basis van de Wft een verzekeringsovereenkomst (in het geval van de gevolmachtigd agent: namens een verzekeraar) afsluiten. Het was beklaagden dus toegestaan om verzekeringsmakelaars uit te sluiten van deelname aan de aanbesteding voor het sluiten van ongevallenverzekeringen. De Commissie overweegt dat indien een afgewezen inschrijver objectieve gegevens verstrekt op grond waarvan de onpartijdigheid van de deskundige van de aanbestedende dienst kan worden betwijfeld, de aanbestedende dienst alle relevante omstandigheden moet onderzoeken die hebben geleid tot vaststelling van de gunningsbeslissing, teneinde een belangenconflict zoals hiervoor bedoeld te voorkomen, te onderkennen en te beëindigen, in voorkomend geval onder andere door de partijen te verzoeken om bepaalde informatie en bewijsmateriaal te verstrekken (vergelijk HvJ EU 12 maart 2015, zaak C-538/13 (eVigilo), r.o. 44). Klager heeft weliswaar gewezen op banden tussen X en de zustermaatschappijen van X, maar die zustermaatschappijen zijn niet "de inschrijver waaraan de opdracht is gegund". Daarmee levert de verwijzing door klager naar de banden tussen X en de zustermaatschappijen geen objectieve gegevens op die aanleiding moeten geven tot een diepgaand onderzoek door de aanbestedende dienst.

Advies 31826 januari 2017

Advies 318

> Europese openbare aanbesteding voor levering van minicontainers en afvalcontainers. Het geschil draait om de technische eisen die gesteld zijn aan de minicontainers (perceel 1). Volgens klager zijn die eisen discriminerend en disproportioneel en zou slechts één leverancier aan die eisen kunnen voldoen. De Commissie toetst die eisen aan artikelen 1.10, 2.75 en 2.76 Aw 2012 en overweegt dat in beginsel een aanbestedende dienst mag vragen om maatwerk, mits hij de eisen dan zoveel mogelijk functioneel specificeert. Het uitvragen van maatwerk wordt naar het oordeel van de Commissie echter problematisch indien de markt dat maatwerk niet eenvoudig kan realiseren. Dat zal al snel het geval zijn bij standaard producten die in grote aantallen worden aangeboden en waarbij veel inspanningen van de marktpartijen worden gevraagd om door één aanbestedende dienst gevraagde wijzigingen in dat aanbod aan te brengen. Beklaagde heeft verwezen naar een Europese norm, maar is ook op onderdelen afgeweken van die norm. Het doel van normen is het standaardiseren van de eisen waaraan producten moeten voldoen opdat fabrikanten weten dat wanneer zij producten maken die aan de normen voldoen, deze overal in de Europese Unie aanvaard moeten worden door aanbestedende diensten. Het zonder noodzaak afwijken van normen benadeelt bepaalde fabrikanten die immers geen rekening hebben kunnen houden met die afwijkingen. De Commissie is van oordeel dat beklaagde onvoldoende heeft verwezen naar standaarden en de eisen onvoldoende functioneel heeft gespecificeerd, terwijl dat wel mogelijk was geweest. Toepassing van artikel 2.76, leden 5 en 6, Aw 2012 is dan niet aan de orde (het accepteren van gelijkwaardige producten). Nu beklaagde onvoldoende functioneel heeft gespecificeerd en slechts één leverancier in staat is aan de combinatie van eisen van beklaagde te voldoen, is de Commissie van oordeel dat de combinatie van de eisen niet meer in een redelijke verhouding staat tot het voorwerp van de opdracht en beklaagde de inschrijvers niet op gelijke en niet-discriminerende wijze behandelt.

Advies 31716 december 2015

Advies 317

> Afgemeten aan de instructie voor aanbestedende diensten om, alvorens opdrachten samen te voegen, acht te slaan op de in art. 1.5, eerste lid, Aw 2012 genoemde (3) aspecten, is de Commissie van oordeel dat de door beklaagde verstrekte motivering haar beslissing tot het samenvoegen van de opdrachten onvoldoende kan dragen. Dat betekent dat beklaagde niet heeft aangetoond dat er geen sprake is van een “onnodige” samenvoeging van opdrachten in de zin van art. 1.5, eerste lid, Aw 2012.

Advies 31428 februari 2017

Advies 314

> Europese openbare procedure voor een raamovereenkomst voor ICT-diensten. De opdracht is verdeeld in drie percelen. De klacht betreft perceel 1 (Infrastructure as a Service). In het Programma van Eisen en Wensen staan de volgende twee eisen: (i) de inschrijver beschikt over een ISAE 3402 Type II rapport van maximaal 1 jaar oud (of gelijkwaardig) en (ii) de inschrijver is in staat jaarlijks een ISAE 3402 rapoort (of gelijkwaardig) af te geven. Geklaagd wordt dat de eerste eis als geschiktheidseis niet in het Programma van Eisen thuis hoort, dat de twee eisen disproportioneel zijn, dat de eisen voor gelijkwaardige certificeringen niet bekend gemaakt zijn, de inschrijving van klager ten onrechte terzijde is gelegd aangezien zij over een volgens haar gelijkwaardig ISO 27001 certificaat beschikt en dat de motivering van de gunningsbeslissing onvoldoende is. De Commissie constateert dat de eerste eis inderdaad een geschiktheidseis is en derhalve in de aankondiging bekend gemaakt had moeten worden. Echter, door het opnemen van de eis in het Programma van Eisen en Wensen is klager naar het oordeel van de Commissie niet benadeeld, zodat dit klachtonderdeel ongegrond wordt verklaard. De Commissie overweegt op dat de gewraakte eisen op zich zinvol zijn, aangezien daardoor accountants bepaalde onderzoeken niet meer hoeven uit te voeren, wat een kostenbesparing kan opleveren. Echter, dat neemt niet weg dat bij de gevraagde dienstverlening (Infrastructure as a Service) de opdrachtnemer weliswaar verantwoordelijk is voor de beschikbaarheid van de gehoste applicaties, maar niet verantwoordelijk is voor het beheer van die applicaties. Op de correctheid van de werking van die applicaties kan de opdrachtnemer dus geen invloed uitoefenen. Daarmee is de zware eis van een ISAE 3402 Type II-rapport onvoldoende relevant voor de gevraagde dienstverlening en zijn de gewraakte eisen naar het oordeel van de Commissie disproportioneel. De klacht over gebrek aan transparantie bij het beschrijven van de eisen wordt ongegrond verklaard wegens een niet proactieve houding van klager in d einlichtingenronde. Ten overvloede overweegt de Commissie dat het toevoegen van "of gelijkwaardig" zonder verdere toelichting op zich toelaatbaar is. Omtrent het ISO 27001 certificaat overweegt de Commissie dat dit wel tot op zekere hoogte vergelijkbaar is, maar anders dan klager stelt niet gelijkwaardig is met een ISAE 3402 Type II rapport, zodat dit klachtonderdeel ongegrond wordt verklaard. De Commissie is wel van oordeel dat beklaagde in de mededeling van de gunningsbeslissing niet kon volstaan met de mededeling dat de in de inschrijving van klager genoemde rapporten ISO 9001 en ISO 27001 niet gelijkwaardig zijn aan een ISAE 3402 Type II rapport, maar dat zij klager meer inzicht had moeten verschaffen in de redenen waarom de bedoelde rapporten niet gelijkwaardig zijn. Het laatste klachtonderdeel wordt derhalve gegrond verklaard.

Advies 3134 februari 2016

Advies 313

> Niet-openbare aanbesteding van architectonisch ontwerp. Geëist wordt dat 1. alle werkzaamheden ten behoeve van elk referentieproject volledig zijn verricht na 1 juli 2010, 2. voor elk van de referentieprojecten ten minste een bouwvergunning verleend is, en 3. ten minste één referentieproject is uitgevoerd en opgeleverd. Zoals de Commissie heeft overwogen in haar Advies 52, overweging 5.3.6, geldt de verplichting om proportioneel te handelen ook ten aanzien van selectiecriteria. De Commissie acht de uitbreiding van de periode van referentieprojecten van drie jaar naar vijf jaar toelaatbaar. De Commissie is van oordeel dat de verlening van een bouwvergunning voor een referentieproject kan worden beschouwd als een objectief oordeel waarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat het ontwerp van dat referentieproject in beginsel voldoet aan een aantal belangrijke kwaliteitseisen. Mede om die reden wordt de eis van verleend zijn van de bouwvergunning niet disproportioneel geacht. De Commissie overweegt dat dat – anders dan geldt voor de verlening van een bouwvergunning – de uitvoering en oplevering van een bouwwerk slechts ten dele een indicatie vormen voor de kwaliteit van de ontwerpwerkzaamheden. Bij die uitvoering speelt bijvoorbeeld ook de kwaliteit van de door derden verrichte uitvoeringswerkzaamheden een rol. Bovendien valt niet uit te sluiten dat – niettegenstaande dat oplevering heeft plaatsgevonden – de opdrachtgever tijdens de uitvoering van een bouwwerk maatregelen heeft moeten treffen in verband met in het ontwerp geconstateerde tekortkomingen. De Commissie is alles afwegende van oordeel dat de derde minimumeis niet proportioneel is in geval van een aanbesteding van een opdracht van architectonisch ontwerp. Beklaagde heeft in een brief aan klager opgemerkt: ‘De voorwaarde dat de werkzaamheden zijn aangevangen na 1 juli 2010 hangt ermee samen dat het voor deze aanbesteding van groot belang wordt geacht dat de gegadigde laat zien dat hij ervaring heeft met het maken van een ontwerp dat geheel aan de eisen van deze tijd voldoet met aandacht voor en gebruik van recente inzichten, innovaties en ontwikkelingen’. Beklaagde heeft in haar brief naar het oordeel van de Commissie geen nieuwe kerncompetenties vastgesteld maar slechts een toelichting gegeven op de in de Selectieleidraad geformuleerde kerncompetenties, zodat dit klachtonderdeel ongegrond is.

Advies 31217 december 2015

Advies 312

> Of het vragen van combinaties van kerncompetenties bij één referentiewerk als selectiecriterium zinvol en dus toelaatbaar is in de zin dat er geen sprake is van een disproportionele stapeling van kerncompetenties, zijn van belang de omstandigheden van het geval en of er sprake is van een zodanige samenhang van die kerncompetenties in het kader van de aanbestede opdracht dat het kunnen beschikken door een inschrijver over een combinatie van competenties ontleend aan één referentiewerk een grotere mate van geschiktheid oplevert.

Advies 3113 februari 2017

Advies 311

> Niet-openbare Europese aanbesteding van midoffice suite. Beklaagde heeft aan alle afgewezen inschrijvers een volledig overzicht van alle prijzen en alle scores op de kwaliteitscriteria gestuurd. Klagers stellen dat hun rechtmatige commerciële belangen zijn geschaad door deze wijze van bekendmaking. De Commissie is van oordeel dat beklaagde bij de naleving van haar motiveringsplicht van art. 2.130, leden 1 en 2, Aw 2012 verder is gegaan dan noodzakelijk was gelet op de ratio van die bepalingen en daarmee heeft gehandeld in strijd met de plicht om de inschrijvingen vertrouwelijk te behandelen, zoals bepaald in artikel 2.138 aanhef en onder c Aw 2012. Beklaagde heeft de methode voor de beoordeling van de prijzen niet vooraf bekend gemaakt. Volgens klager doet de toegepaste methode geen recht aan de bekend gemaakte gewichten (40% prijs en 60% kwaliteit). De Commissie overweegt dat het Hof van Jusitie EU in zijn arrest TNS Dimarso (C-6/15) heeft geoordeeld dat het niet verplicht is om het beoordelingsmodel van de gunningscriteria in de aankondiging of het bestek bekend te maken, maar dat een latere vaststelling van dat model niet tot gevolg mag hebben dat de gunningscriteria of het relatieve gewichte ervan worden gewijzigd. Naar het oordeel van de Commissie betekent het achteraf vaststellen van de systematiek waarmee de prijzen worden beoordeeld dat op dat moment pas het relatieve gewicht van prijs wordt vastgesteld. De Commissie overweegt dat dit in strijd is met de voorwaarde dat het gewicht niet mag worden gewijzigd. Dit is in lijn met eerdere jurisprudentie van het Hof van Justitie EU waaruit blijkt dat een gunningscriterium de aanbestedende dienst geen onvoorwaardelijke keuzevrijheid mag laten (o.a. C-368/10, Commissie/Nederland). Klachten over een onjuiste beoordeling van de Proof of Concept en over een mogelijk belangenconflict worden als onvoldoende onderbouwd ongegrond verklaard.

Advies 31022 juli 2016

Advies 310

> Niet-openbare Europese aanbesteding van een OMOP op basis van de RAW 2010 Standaard voor asbestsanering van een woonwijk. Aan klager, die niet de economisch meest voordelige inschrijving heeft gedaan, wordt door beklaagde een toelichting gevraagd bij een aantal besteksposten, onder meer omdat door beklaagde gesteld wordt dat die opvallend laag zouden zijn. Klager weigert op de meeste vragen antwoord te geven omdat die vragen volgens artikel 01.01.04 RAW Standaard 2010 alleen aan de winnende inschrijver gesteld mogen worden. Klager heeft hierover klachten ingediend bij het klachtenmeldpunt van beklaagde, waarna haar inschrijving ongeldig is verklaard. De Commissie is van oordeel dat beklaagde met haar verzoek buiten de kaders van haar algemene bevoegdheid op grond van artikel 2.55 Aw 2012 en art. 3.26 ARW 2012 is getreden, gelet op het arrest HvJ EU 29 maart 2012, C-599/10 (SAG), rov. 44. Ook op grond van de aanbestedingsstukken had beklaagde niet de bevoegdheid de gewraakte vragen te stellen. Deze bevatten geen verplichting voor de inschrijvers om informatie te verstrekken waarmee de eventueel door hen aangeboden relatief lage uitvoeringskosten, algemene kosten, winst en risico in combinatie met aangeboden kortingen worden verklaard. Ook aan artikelen 2.116 Aw 2012, 3.27 ARW 2012 en 01.01.04 RAW 2010 kon beklaagde niet de bevoegdheid ontlenen om de gewraakte vragen te stellen. Ook de klacht over het ten onrechte ongeldig verklaren van de inschrijving van klager wordt door de Commissie gegrond verklaard. Beklaagde kon die ongeldigheid immers niet baseren op de (terechte) weigering van klager om de gevraagde informatie te verstrekken.

Advies 30811 december 2015

Advies 308

> Beklaagde heeft gehandeld in strijd met Voorschrift 3.5 F Gids Proportionaliteit doordat zij per gevraagde kerncompetentie eist dat één afzonderlijke op die kerncompetentie toegesneden referentieopdracht wordt overgelegd. Beklaagde heeft bovendien gehandeld in strijd met Voorschrift 3.5 G lid 2 Gids Proportionaliteit. Hoewel dat voorschrift niet verbiedt om een referentie-eis te stellen die betrekking heeft op de minimale omvang van (een onderdeel van) een referentieopdracht uitgedrukt in hoeveelheden, mag de in de eis gevraagde hoeveelheid niet groter zijn dan 60% van de hoeveelheid in de opdracht die wordt aanbesteed.

Advies 30713 oktober 2016

Advies 307

> Renovatie tunnel op basis van Design, Build & Maintain-contract. Als er paritair opgestelde voorwaarden zijn, mogen op grond van Voorschrift 3.9 C Gids Proportionaliteit geen andere voorwaarden worden toegepast, ook niet als deze proportioneel zijn. Het hanteren van een eigen maatwerkovereenkomst in plaats van de paritair opgestelde Model Basisovereenkomst en bijbehorende UAV-GC 2005 is in strijd met Voorschrift 3.9 C Gids Proportionaliteit. Van dit voorschrift kan op basis van art. 1.10 lid 4 Aw 2012 gemotiveerd worden afgeweken. De Commissie geeft opnieuw een overzicht van de aspecten waarmee rekening moet worden gehouden in de motivering om af te wijken van Voorschrift 3.9 C Gids Proportionaliteit. In deze zaak rechtvaardigt de motivering niet dat geheel wordt afgeweken van de UAV-GC 2005. Veel zaken kunnen binnen de kaders van de UAV-GC 2005 worden geregeld, op andere punten kan gedeeltelijk worden afgeweken. De aanbestedende dienst mag gemotiveerd afwijken van specifieke bepalingen, maar mag niet een andere regeling daarvoor in de plaats stellen. Ondernemers kunnen de consequenties dan minder snel overzien.

Advies 30319 januari 2016

Advies 303

> Van een onnodige samenvoeging zal sprake zijn wanneer de uitvoering van de instructie voor aanbestedende diensten om, alvorens opdrachten samen te voegen, acht te slaan op de in art. 1.5, eerste lid, Aw 2012 genoemde (3) aspecten, een resultaat oplevert dat de beslissing tot samenvoegen niet zal kunnen dragen. Het resultaat van de uitvoering van de instructie zal moeten blijken uit de motivering waarmee een aanbestedende dienst de beslissing tot samenvoegen, gelet op diens motiveringsplicht van artikel 1.5, tweede lid, Aw 2012 - moet onderbouwen.

Advies 30122 januari 2016

Advies 301

> Europese niet-openbare aanbesteding voor nieuwbouw van een rioolzuiveringsinstallatie (RWZI). De UAV-GC 2005 zijn van toepassing verklaard maar de basisovereenkomst bevat een groot aantal afwijkingen van die algemene voorwaarden. De Commissie overweegt in lijn met Advies 228 onder meer dat Voorschrift 3.9 C Gids Proportionaliteit bepaalt dat in gevallen waarin voor een bepaalde soort overeenkomst contractmodellen of algemene voorwaarden bestaan die paritair zijn opgesteld (zoals de UAV-GC 2005) deze integraal toegepast moeten worden. Eventuele afwijkingen van dit voorschrift moeten worden gemotiveerd krachtens artikel 1.10 lid 4 Aw 2012. De Commissie toetst of beklaagde aan die motiveringsplicht heeft voldaan. Zoals de Commissie in haar eerdere Advies 228 heeft overwogen, mag een aanbestedende dienst zijn motiveringsplicht van art. 1.10 lid 4 Aw 2012 in een geval als het onderhavige naleven door generiek te motiveren waarom hij de Model Basisovereenkomst met bijbehorende UAV-GC 2005 niet integraal heeft toegepast. Niet elke afwijking van een bepaling van de Model Basisovereenkomst of de UAV-GC 2005 moet gmotiveerd worden. Niettemin moeten dergelijke afwijkingen wel kunnen worden gedragen door een generieke motivering zoals hiervoor bedoeld. De Commissie is van oordeel dat het een aanbestedende dienst is toegestaan af te wijken van Voorschrift 3.9 C Gids Proportionaliteit wanneer die beslissing voldoende wordt gedragen door een uit de motivering van die afwijking blijkende goede afweging van de volgende aspecten: (i) de aard en omvang van de met het voorwerp van de opdracht en de marktsituatie verband houdende projectspecifieke belangen; (ii) de mate waarin in de Model Basisovereenkomst met bijbehorende UAV-GC 2005 onvoldoende rekening is gehouden met die belangen; (iii) de mate waarin de van toepassing verklaarde voorwaarden van de overeenkomst in een redelijke verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht; (iv) de mate waarin het voor de aanbestedende dienst mogelijk is (geweest) om de projectspecifieke belangen te dienen door het treffen van andere en minder vergaande maatregelen. In casu heeft beklaagde geen deugdelijke generieke motivering gegeven, terwijl een aantal van de klachten over specifieke afwijking van de UAV-GC 2005 doel treffen.

Advies 30015 april 2016Klacht gegrond

Advies 300

> Openbare Europese aanbesteding voor beheer en onderhoud van applicaties en aanverwante ICT-diensten. De zittende leverancier heeft de winnende inschrijving gedaan en klager stelt dat beklaagde niet heeft gezorgd voor een 'level playing field'. De Commissie overweegt dat wanneer - zoals in het onderhavige geval - een opdracht wordt aanbesteed die in enige mate kan worden beschouwd als de voortzetting van een lopende opdracht, al dan niet in gewijzigde vorm, de aanbestedende dienst op grond van het gelijkheidsbeginsel verplicht is om aan alle (potentiële) inschrijvers zo veel mogelijk informatie over de inhoud van de lopende opdracht te verstrekken waarover de zittende opdrachtnemer beschikt. De aanbestedende dienst dient immers elk risico van favoritisme en willekeur uit te bannen, zoals overwogen door het Hof van Justitie EG in zijn arrest van 29 april 2004, C-496/99 P (Commissie/CAS Succhi di Frutta), r.o. 111. De Commissie constateert dat beklaagde bepaalde informatie die noodzakelijk is om een concurrerende aanbieding te doen (zoals een lijst met applicaties met functiepunten) niet heeft verstrekt. Om die reden verklaart de Commissie de klacht gegrond.

Advies 29723 november 2015

Advies 297

> Is sprake van oneigenlijk gebruik van het instrument van de raamovereenkomst? Is de aanbesteding toegesneden op de (4) partijen die een netwerkvergunning hebben? Wanneer is het uitsluiten van verbonden ondernemingen bij een aanbesteding toegestaan? Moet de looptijd van de afzonderlijke opdrachten samenvallen met de looptijd van de raamovereenkomst? Er is sprake van oneigenlijk gebruik van een raamovereenkomst omdat de overeenkomst (i) een daadwerkelijk opdrachtverstrekking inhoudt; (ii) een afnameverplichting voor de aanbestedende diensten in het leven roept; (iii) niet ziet op een stroom van mogelijke in de toekomst met zekere regelmaat te plaatsen opdrachten; en (iv) erin voorziet dat in onvoldoende bepaalde uitzonderingen ertoe mag worden overgegaan diensten niet onder de raamovereenkomst af te nemen. Dat de aanbesteding op bepaalde dienstverleners zou zijn toegeschreven is onvoldoende komen vast te staan. Systematische uitsluiting bij een aanbesteding van verbonden ondernemingen is niet toegestaan; incidentele uitsluiting is onder omstandigheden toegestaan. De looptijd van afzonderlijke opdrachten hoeft niet samen te vallen met de looptijd van de raamovereenkomst; afwijkingen moeten wel onderbouwd worden.

Advies 29528 februari 2017

Advies 295

> Meervoudig onderhandse procedure voor tijdelijke vergroting van de slibontwateringscapaciteit van een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Klager stelt dat er een onjuiste beoordeling van de kwaliteitscriteria is geweest. De Commissie bespreekt eerst de eisen ten aanzien van de door de aanbestedende dienst in acht te nemen transparantie en de motiveringsplicht, die in het kader van een meervoudig onderhandse procedure niet anders zijn dan bij een Europese aanbesteding. Bij subgunningscriteria EC.1a en EC.2c is de inschrijving van klager lager beoordeeld omdat klager geen alternatief heeft genoemd om het risico te beheersen dat voor een andere uitvoeringsmethode zou worden gekozen. De Commissie vindt echter in de aanbestedingsstukken geen aanknopingspunten voor het standpunt dat alternatieven moesten worden genoemd en uitgewerkt. Een inschrijver mag er van uitgaan dat een aanbestedende dienst niet voor een van zijn inschrijving afwijkende wijze van uitvoering kiest indien hij de opdracht gegund heeft gekregen. Dit klachtonderdeel wordt derhalve gegrond verklaard. Bij het tweede klachtonderdeel stelt klager dat haar inschrijving ten onrechte is beoordeeld op een nieuwe eis, aangezien er geen uitwerking van het idee voor bovengrondse kabels en leidingen is gegeven. De Commissie overweegt echter dat het toevoegen van tabellen, planningen, visualisaties en tekeningen ter onderbouwing van in de inschrijving opgenomen ideeën wel degelijk in de aanbestedingsstukken wordt genoemd en verklaart dit klachtonderdeel ongegrond. In het derde klachtonderdeel stelt klager dat haar inschrijving op de subgunningscriteria EC.2b "Projectorganisatie (beschrijving)" en EC.2c "Projectorganisatie (interview)" louter positief zijn beoordeeld, maar hier desondanks niet de maximale scores heeft gekregen. Ten aanzien van criterium EC.2b acht de Commissie dit klachtonderdeel gegrond, gelet op de gebrekkige motivering van de lage score die klager op dit criterium heeft gekregen.

Advies 2934 december 2015

Advies 293

> Gewenste zekerheid had ook door minder vergaande maatregel kunnen worden bereikt. Als al terecht zou kunnen worden verwezen naar een bepaald fabricaat, dan is dat alleen toegestaan onder vermelding van de woorden “of gelijkwaardig”. Door naast het voorgeschreven fabricaat ook de levering van een alternatief voor te schrijven, is het voor potentiële inschrijvers onmogelijk gemaakt alléén alternatieve producten aan te bieden. Beklaagde’s veronderstelling dat zij ook een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking had kunnen organiseren, is onjuist.

Advies 29223 maart 2016

Advies 292

> Leidt het niet invullen van een aantal besteksposten in de inschrijvingsstaat terecht tot het ongeldig verklaren van de inschrijving? Is de ongeldigverklaring van de inschrijving onjuist en te laat gemotiveerd? Moet een aanbestedende dienst ook in een meervoudig onderhandse procedure een opschortende termijn in acht nemen? Beklaagde heeft de inschrijving van klager terecht ongeldig verklaard, nu klager een aantal besteksposten in haar inschrijvingsstaat niet van toepassing heeft verklaard in weerwil van het feit dat bij die besteksposten sprake is van resultaatsverplichtingen. Van een inschrijver die constateert dat een bepaalde resultaatsverplichting ten onrechte in het bestek is opgenomen, mag bovendien verwacht worden dat hij de aanbestedende dienst verzoekt de desbetreffende bestekspost te verwijderen, dan wel te bepalen dat de post open wordt gelaten of bij die post “niet van toepassing” kan invullen. Beklaagde heeft met nadere toelichting geen nieuwe redenen voor het ongeldig verklaren van de inschrijving van klager aangevoerd. Voorts staat het proportionaliteitsbeginsel niet in de weg aan die ongeldigverklaring. Deongeldigverklaring dient overigens wel te worden meegedeeld als onderdeel van demededeling van de gunningsbeslissing (art. 7.20.2 jo 7.20.5 ARW 2012). Een aanbestedende dienst moet ook in een meervoudig onderhandse procedure een opschortende termijn in acht nemen.

Advies 29030 oktober 2015

Advies 290

> Meervoudig onderhandse aanbesteding van RAW-raamovereenkomst met een looptijd van één jaar voor rioolreiniging en rioolinspectie. De geraamde waarde van de raamovereenkomst bedraagt € 50.000. Als Social Return eis wordt gesteld dat de opdrachtnemer een cliënt uit het bestand van een locaal Werkgevers Servicepunt gedurende één jaar in dienst moet nemen, waarbij uitstroom uit die organisatie moet worden gegarandeerd. De Commissie overweegt in navolging van haar Advies 98 dat een streefpercentagen van 5% van de opdrachtsom (bij kapitaalintensieven opdrachten van de loonsom) gehanteerd dient te worden. De Commissie stelt vast dat de Social Return eis niet duidelijk is, bijvoorbeeld omdat niet meegedeeld wordt of het om een fulltime dan wel een parttime dienstverband gaat. Uitgaande van een fulltime dienstverband concludeert de Commissie dat de eis significant hoger dan 5% van de opdrachtsom is. Tot slot is de Commissie van oordeel dat ook de eis van uitstroom uit het Werkgevers Servicepunt disproportioneel is.

Hulp nodig bij aanbestedingen?

TenderView.ai helpt u bij het vinden, analyseren en winnen van aanbestedingen met AI.

Gratis starten