CvAE Adviezen

Commissie van Aanbestedingsexperts

Doorzoek 464 adviezen van de Commissie van Aanbestedingsexperts over aanbestedingsrecht en -procedures. De CvAE behandelt klachten van ondernemers en aanbestedende diensten over de toepassing van de Aanbestedingswet 2012.

Advies 39215 december 2016

Advies 392

> Europese openbare aanbestedingsprocedure voor een raamovereenkomst met één onderneming voor eendaags busvervoer van leerlingen. Geklaagd wordt over minimumeisen met betrekking tot het hebben van ervaring met vervoer in het voortgezet onderwijs en wensen met betrekking tot de pedagogische vaardigheden van de in te zetten chauffeurs. Ook wordt er over geklaagd dat met een beroep op de percelenregeling eendaagse reizen tot een waarde van € 80.000 buiten de raamovereenkomst kunnen worden ingekocht. De Commissie is van oordeel dat beklaagde met de door haar vastgestelde competentie, vervoer van leerlingen in het voortgezet onderwijs, zich niet heeft beperkt tot het vaststellen van een kerncompetentie die overeenkomt met de gewenste ervaring op essentiële punten van de opdracht. Van een onderneming die inschrijft op een opdracht als de onderhavige mag slechts worden verwacht dat deze primair in staat is personenvervoer in het algemeen en het vervoer van de doelgroep in het bijzonder uit te voeren. Het voorgaande houdt in dat beklaagde naar het oordeel van de Commissie heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in Voorschrift 3.5 F Gids Proportionaliteit. Voor zover zou moeten worden aangenomen dat beklaagde heeft gehandeld overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 3.5 F Gids Proportionaliteit door alleen kerncompetenties vast te stellen die overeenkomen met de gewenste ervaring op essentiële punten van de opdracht, heeft beklaagde overigens om een referentie gevraagd die gelijk is aan de opdracht, te weten ervaring met vervoer van leerlingen in het voortgezet onderwijs, in plaats van een referentie die vergelijkbaar is met de onderhavige opdracht, in strijd met artikel 2.93 lid 3 Aw 2012. Verder acht de Commissie de eis dat chauffeurs ervaring hebben met het vervoeren van leerlingen in het voortgezet onderwijs disproportioneel. Wat betreft de pedagogische vaardigheden van de chauffeurs overweegt de Commisie het volgende. Anders dan klager stelt, zijn het niet de opvoedkundige bekwaamheden van de (gemiddelde) tourincarchauffeur die in het kader van deze kwalitatieve wens zullen worden beoordeeld. Beoordeeld wordt welke maatregelen de inschrijver neemt om te bewerkstelligen dat zijn chauffeurs over die bekwaamheden beschikken. De klachten over die pedagogische vaardigheden treffen dan ook geen doel. Het busvervoer dat beklaagde buiten de raamovereenkomst wenst te houden, betreft niet een van de aanbestede raamovereenkomst te onderscheiden soort dienstverlening (bijvoorbeeld eendaagse reizen naar Brussel). De Commissie is dan ook van oordeel dat beklaagde geen beroep kan doen op de zogenoemde percelenregeling van artikel 2.18 Aw 2012. Dit klachtonderdeel is derhalve gegrond.

Advies 39121 december 2016Klacht gegrond

Advies 391

> Europese openbare aanbesteding van een raamovereenkomst voor inwinningsapparatuur voor landmeetkundige diensten. Klager is uitgenodigd om een functietest van de door haar aangeboden apparatuur uit te voeren, maar is er tijdens de testperiode niet in geslaagd een internetverbinding met de server van beklaagde tot stand te brengen. Klager stelt dat beklaagde relevantie technische informatie niet verstrekt heeft. De Commissie is van oordeel dat een aanbestedende dienst gehouden is om de inschrijvers tijdig de informatie te verschaffen die zij nodig hebben om aan een functietest te kunnen deelnemen, voor zover zij niet in staat zijn die informatie zonder de medewerking van de aanbestedende dienst te verkrijgen. In het verlengde hiervan is de aanbestedende dienst gehouden om constructief met een inschrijver in overleg te treden wanneer deze aangeeft in het kader van de functietest tegen problemen aan te lopen die volgens die inschrijver verband houden met het feit dat de aanbestedende dienst onvolledige informatie heeft verschaft. In casu had klager minimaal de volgende gegevens moeten krijgen van beklaagde: a. Het adres van de server waarmee contact moet worden gemaakt; b. Het poortnummer van de server; c. Het communicatieprotocol dat gebruikt moet worden; d. Een gebruikersnaam en wachtwoord. In eerste instantie is aan klager een verkeerd poortnummer meegedeeld, waardoor zij enkele dagen vergeefse pogingen heeft gedaan om verbinding te krijgen met de server van beklaagde. Ook na het verstrekken van het juiste poortnummer kon klager geen verbinding maken en heeft zij meerdere malen gevraagd naar het protocol en de initialisatiestring, maar op die vragen geen antwoord gekregen. Omdat naar het oordeel van de Commissie beklaagde aan klager niet tijdig de juiste informatie heeft verschaft, wordt de klacht gegrond verklaard. Na het uitbrengen van het advies heeft de voorzieningenrechter Gelderland een uitspraak in dit geschil gedaan: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2017:1501 .

Advies 38920 februari 2017

Advies 389

> Meervoudig onderhandse procedure voor een overheidsopdracht voor diensten betreffende het projectmanagement voor de renovatie van een schoolgebouw. Klager heeft een half jaar op basis van een arbeidsovereenkomst gewerkt als projectmanager van beklaagde. Zij stelt dat de opdracht niet in concurrentie had mogen worden aanbesteed, dat de gunningscriteria onvoldoende objectief zijn, dat de motivering van de gunningsbeslissing onvoldoende is en dat ten onrechte geen opschortende termijn in acht is genomen na de gunningsbeslissing. De Commissie overweegt dat op grond van het aanbestedingsrecht het in concurrentie gunnen van de opdracht toelaatbaar is. Over de vraag of dit ook in de gegeven omstandigheden civielrechtelijk toelaatbaar is, laat de Commissie zich niet uit. De klacht omtrent het onvoldoende objectief zijn van de gunningscriteria acht de Commissie tardief en bovendien ongegrond. De Commissie constateert dat in de motivering van de gunningsbeslissing de kenmerken en relatieve voordelen van de winnende inschrijver niet genoemd worden. Verder heeft beklaagde na de definitieve gunning aan klager een afdoende motivering gezonden. Dit klachtonderdeel is dus gegrond. De Commissie is van oordeel dat de verplichting om een effectieve rechtsbescherming te bieden ook op een aanbestedende dienst rust wanneer deze een opdracht aanbesteedt met gebruikmaking van een meervoudig onderhandse procedure waarop afdeling 1.2.4 Aw 2012 van toepassing is. Beklaagde heeft aan klager geen effectieve rechtsbescherming geboden doordat zij haar gunningsbeslissing in eerste instantie niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Dit laatste klachtonderdeel wordt derhalve gegrond verklaard.

Advies 38815 december 2016

Advies 388

> Europese onderhandelingsprocedure met aankondiging voor een raamovereenkomst voor ingenieursdiensten. De speciale-sectoropdracht is verdeeld in drie percelen waarbij wordt beoogd per perceel een raamovereenkomst met meerdere ondernemingen te sluiten. De aanmelding van klager is ongeldig verklaard omdat zij geen Uniform Europees Aanbestedingsdocument (“UEA”) van haar onderaannemer heeft ingediend. Klager stelt dat de aanbestedingsstukken op dit punt onduidelijk zijn en dat beklaagde haar in de gelegenheid had moeten stellen om alsnog dat document in te dienen. De Commissie stelt vast dat indien een speciale-sectorbedrijf uitsluitingsgronden en selectiecriteria als bedoeld in Richtlijn 2014/24/EU gebruikt, de bepalingen over het Uniform Europees Aanbestedingsdocument van artikelen 59 tot en met 61 Richtlijn 2014/24/EU van overeenkomstige toepassing zijn, aldus artikel 80 Richtlijn 2014/25/EU. Verder stelt de Commissie vast dat in geval van een beroep op de draagkracht of bekwaamheid van een onderaannemer, tegelijk met de aanmelding het UEA van die onderaannemer moet worden ingediend. De Commissie overweegt dat, hoewel de aanbestedingsstukken niet geheel helder zijn, uiteindelijk ook uit die stukken blijkt dat in geval het beroep op de capaciteiten van een onderaannemer het UEA van die onderaannemer bij de aanmelding moet worden ingediend. Dit klachtonderdeel wordt derhalve ongegrond verklaard. Met betrekking tot de stelling van klager dat beklaagde haar in de gelegenheid had moeten stellen alsnog het ontbrekende UEA in te dienen overweegt de Commissie het volgende. Het gelijkheidsbeginsel staat er niet aan in de weg om, in uitzonderlijke gevallen, de inschrijvingen gericht te laten verbeteren of aan te vullen, met name omdat deze klaarblijkelijk een eenvoudige precisering behoeven, of om kennelijke materiële fouten recht te zetten, mits deze wijziging er niet toe leidt dat in werkelijkheid een nieuwe inschrijving wordt voorgesteld (HvJ EU 29 maart 2012, zaak C-599/10 (SAG), rov. 40). Het maken van een dergelijke uitzondering is echter uitgesloten ingeval van ontbrekende informatie die op straffe van uitsluiting moet worden verstrekt (HvJ EU 10 oktober 2013, zaak C-336/12 (Manova) r.o. 40). Ten slotte mag de herstelmogelijkheid alleen betrekking hebben op stukken waarvan objectief kan worden vastgesteld dat zij dateren van voor het einde van de inschrijvingstermijn. Aangezien aan deze strikte voorwaarden niet voldaan is, wordt ook dit klachtonderdeel ongegrond verklaard.

Advies 38726 januari 2017

Advies 387

> Europese openbare aanbesteding voor het sluiten van een raamovereenkomst voor levering van kantoorartikelen. In het bestek zijn verpakkingseenheden voor de diverse kantoorartikelen voorgeschreven en luidt een eis dat daarvan hoogstens 50% van mag worden afgeweken. Verder moeten sommige artikelen per stuk worden aangeboden. Geklaagd wordt dat door die eisen de huidige leverancier bevoordeeld wordt. De Commissie overweegt dat beklaagde de verpakkingseenheden heeft gevraagd die de zittende leverancier leverde, met een mogelijkheid om met 50% af te wijken. Uit de gestelde vragen en antwoorden in de tweede en derde Nota van Inlichtingen blijkt dat voorgaande vereisten voor twee potentiële inschrijvers, met uitzondering van de zittende leverancier, problematisch zijn in de gevallen dat zij slechts verpakkingseenheden kunnen leveren die meer dan 50% groter zijn dan is uitgevraagd. Uit de reactie op klachtonderdeel 2 leidt de Commissie af dat beklaagde slechts één geldige inschrijving heeft ontvangen en dat deze afkomstig is van de zittende leverancier. Voor potentiële inschrijvers, zijnde groothandelaars, zijn de verpakkingseenheden die zij binnen hun productassortiment hanteren niet eenvoudig te wijzigingen in het kader van een concrete aanbestedingsprocedure. Concurrenten van een zittende leverancier worden dan ook op achterstand gezet, indien in een aanbestedingsprocedure de verpakkingseenheden van de zittende leverancier (met een beperkte afwijkingsmarge) worden vereist. De Commissie is dan ook van oordeel dat beklaagde met dit vereiste de raamovereenkomst heeft toegeschreven naar de zittende leverancier en daarmee in strijd heeft gehandeld met het beginsel van gelijke behandeling. De Commissie overweegt verder dat een aanbestedende dienst ter stimulering van innovatie, bijvoorbeeld op het gebied van duurzaamheid, als zogenoemde ‘launching customer’ nieuwe en van de standaard afwijkende producten kan uitvragen die op dat moment alleen nog maar door één of enkele ondernemingen worden geleverd. In casu doet zich dat hier echter niet voor, zodat de Commissie de eis ten aanzien van de verpakkingseenheden disproportioneel acht.

Advies 3863 februari 2017

Advies 386

> Een medewerker van klager heeft bij een eerdere aanbestedingsprocedure van een andere aanbestedende dienst een vervalste tevredenheidsverklaring ingediend. Bij de onderhavige nationale aanbestedingsprocedure op basis van hoofdstuk 2 ARW 2016 heeft klager in het UEA geen melding van deze gedraging gemaakt. Omdat de medewerker destijds handelde binnen de uitoefening van zijn bevoegdheden, kan de gedraging allereerst aan klager worden toegerekend. Daarnaast is de gedraging te kwalificeren als een onrechtmatige gedraging die invloed heeft op de professionele geloofwaardigheid van klager. Bovendien wijst de gedraging op kwaad opzet van een zekere ernst met het doel op onrechtmatige wijze een opdracht in het kader van een aanbestedingsprocedure te verwerven. Daarmee valt de eerdere gedraging te kwalificeren als een ernstige beroepsfout die klager in de onderhavige aanbestedingsprocedure had moeten vermelden in het UEA. Nu zij dat laatste niet heeft gedaan, is sprake van een valse verklaring in de zin van artikel 2.13.7, aanhef en onder h, ARW 2016 en heeft beklaagde klager terecht van de aanbestedingsprocedure uitgesloten.

Advies 3845 december 2016

Advies 384

> Europese openbare aanbestedingsprocedure voor een raamovereenkomst met meerdere ondernemers ten behoeve van de levering van advies- en ingenieursdiensten. Beklaagde heeft op basis van de raamovereenkomst aan alle raamcontractanten die aan bepaalde voorwaarden voldoen een nadere offerteaanvraag gestuurd voor een overheidsopdracht. Klager heeft ingeschreven met een onderaannemer die zelf ook tot de raamcontractanten behoort. Omdat tijdens de mini-competitie meegedeeld is dat combinatievorming tussen de raamcontractanten verboden is op grond van de raamovereenkomst, is haar inschrijving ongeldig verklaard. Klager stelt dat die mededeling in strijd is met de voorwaarden van de oorspronkelijke aanbesteding. Naar het oordeel van de Commissie is de gewraakte mededeling in de Nota van Inlichtingen van de nadere offerteaanvraag in samenhang met het antwoord op een vraag in de Nota van Inlichtingen van de aanbestedingsprocedure van de raamovereenkomst voldoende duidelijk. De lezing van klager dat het op zich is toegestaan bij de inschrijving op de nadere opdracht een onderneming als onderaannemer mee te nemen die zelf ook raamcontractant is, zo lang die onderneming niet ook door een andere inschrijver op de nadere opdracht als onderaannemer wordt meegenomen, deelt de Commissie niet. Omdat klager haar klachten te laat tijdens de aanbesteding heeft geuit, wordt een klacht over de ontoelaatbaarheid van de eis ongegrond verklaard. De Commissie overweegt wel ten overvloede over die toelaatbaarheid het volgende. De Commissie neemt in het verlengde van het bepaalde in artikel 1.10 Aw 2012 tot uitgangspunt dat een beperkende eis als de onderhavige toelaatbaar zal zijn wanneer een aanbestedende dienst met die eis een legitiem doel van algemeen belang nastreeft, die eis geschikt is om dat doel te verzekeren en die eis niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken (zie HvJ EU 10 juli 2014, zaak C-358/12, r.o. 31 en Advies 216, overweging 5.4.3). De Commissie neemt aan dat het doel dat beklaagde met de beperkende eis nastreeft – voorkomen dat de mededinging in het kader van deze nadere opdracht onder de raamovereenkomst wordt beperkt – in beginsel een legitiem doel van algemeen belang is. Indien raamcontractanten die zijn uitgenodigd voor de nadere opdracht mogen samenwerken, blijft er mogelijk minder concurrentie over dan beklaagde met de aanbesteding van de raamovereenkomst had beoogd. Naar het oordeel van de Commissie gaat de onderhavige maatregel echter verder dan nodig is om het doel te bereiken. Indien een uitgenodigde raamcontractant samenwerkt met een raamcontractant die niet is uitgenodigd voor deze nadere opdracht, wordt de concurrentie in het kader van deze nadere opdracht immers niet beperkt. Voor zover in het kader van de nadere opdrachten raamcontractanten die daarvoor niet zijn uitgenodigd niet mogen worden ingeschakeld als onderaannemer, gaat de beperking verder dan nodig is om het doel te bereiken en is de beperkende maatregel niet proportioneel.

Advies 38328 februari 2017

Advies 383

> Klager heeft niet voldaan aan de selectie-eis bij haar inschrijving de Gedragsverklaring Aanbesteden te uploaden. Deze eis heeft een knock-out karakter. Er is geen sprake van een gebrek in de inschrijving waarvoor een herstelmogelijkheid bestaat. De inschrijving van klager is terecht als ongeldig terzijde gelegd zonder klager nog in de gelegenheid te stellen het gebrek in de inschrijving te herstellen.

Advies 3821 december 2016

Advies 382

> Twee aanbestedingsprocedures die gedeeltelijk de levering van dezelfde producten betreffen. Onder welke van beide aanbestede raamovereenkomsten valt de levering van die producten?

Advies 37918 oktober 2016Klacht gegrond

Advies 379

> Europese openbare procedure voor het sluiten van een raamovereenkomst voor levering van leermiddelen. Geklaagd wordt over de indeling van percelen per uitgever en de omstandigheid dat de consumentenprijzen voor biologieboeken nog niet zijn vastgesteld door de uitgever. Hierdoor zouden uitgevers bevoordeeld zijn bij de aanbesteding. De Commissie overweegt dat uit het beoordelingsmodel blijkt dat de uitgevers een voordeel zouden kunnen hebben bij de score op het prijscriterium, maar dat dit voordeel (geschat op 133 punten) nog niet onoverbrugbaar lijkt met een goede score op de kwaliteitscriteria, waarmee 1500 punten kunnen worden behaald. Daarmee kan de Commissie niet vaststellen dat beklaagde heeft gehandeld in strijd met artikel 1.10a Aw 2012, dat bepaalt dat de mededinging niet kunstmatig mag worden beperkt. De Commissie is wel van oordeel dat doordat de consumentenprijzen voor biologie nog niet bekend zijn, er geen sprake is van een ‘level playing field’. In zoverre acht de Commissie de klacht gegrond. Ten overvloede wijst de Commissie er op dat het vragen van zeer hoge consumentenprijzen voor een wiskunde methode (waarover ook geklaagd wordt) mogelijk in het kader van misbruik van een economische machtspositie bij de Autoriteit Consument & Markt zou kunnen worden aangekaart. Na uitbrengen van het Advies heeft de voorzieningenrechter Den Haag een uitspraak gedaan over dit geschil: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:2217.

Advies 37714 oktober 2016

Advies 377

> Europese openbare aanbesteding van vervoersdiensten van geneesmiddelen. Geklaagd wordt over een volgens klager onterechte slechte beoordeling van de kwaliteitscriteria, waardoor klager niet is uitgenodigd voor een ‘pitch’. De Commissie toetst de klacht aan het standaard beoordelingskader voor kwaliteit, dat ook door de rechter meestal wordt toegepast. Na bestudering van de motivering van het subgunningscriterium ‘Prestatieonderbouwing” is de Commissie van oordeel dat beklaagde bij de beoordeling niet is afgeweken van de vooraf bekendgemaakte beoordelingssystematiek. Zonder kennis van de andere inschrijvingen kan de Commissie niet beoordelen of het cijfer 4 dat beklaagde hier heeft toegekend te ‘streng’ is. De Commissie kan wel constateren dat het oordeel “De beantwoording sluit onvoldoende aan bij de gewenste situatie, de doelstelling loopt gevaar”, die hoort bij het cijfer 4, op zich terecht lijkt. Ten aanzien van het subgunningscriterium ‘Transparante tarieven’ overweegt de Commissie, dat dit alleen maar kan betekenen dat voor partijen op eenduidige wijze moet vaststaan hoe de ingevulde tarieven in de praktijk zullen worden toegepast. De gevraagde toelichting moet eventuele onduidelijkheden in het tabblad ‘Tarieven’ en het tabblad ‘Prijsopgaveformulier’ dus wegnemen. Van een inschrijver kan niet worden verlangd dat hij aangeeft waarom hij voor een bepaalde activiteit een bepaald tarief heeft afgegeven, aangezien de prijs van de opdracht bepaald wordt door een samenstel van alle tarieven en uitgevoerde (deel-)opdrachten. Beklaagde heeft naar het oordeel ten onrechte bij de beoordeling meegewogen dat een toelichting hoe de stop-tarieven tot stand zijn gekomen, ontbreekt. Ten aanzien van het subgunningscriterium ‘Duurzaamheid’ overweegt de Commissie dat een redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijver niet hoefde te begrijpen dat hij bij het noemen van maatregelen met betrekking tot duurzaamheid ook zou moeten kwantificeren wat het effect van die maatregelen is. Beklaagde heeft naar aantoonbare stappen gevraagd, niet naar de resultaten. In zoverre is beklaagde afgeweken van de vooraf bekendgemaakte beoordelingssystematiek. Ook ten aanzien van het subgunningscriterium ‘Risico- en kansendossier’ is de Commissie van oordeel dat beklaagde is afgeweken van de bekendgemaakte beoordelingssystematiek.

Advies 3764 november 2016

Advies 376

> In deze zaak staat de vraag centraal welk recht van toepassing is op de onderhavige aanbestedingsprocedure. In dat kader wijst de Commissie op jurisprudentie van het Europese Hof van Jusitie, art. 2.15 en 4.33 Aw 2012. Aangezien de (aangepaste) offerteaanvraag van vóór 18 april 2016 dateert, is de regelgeving van vóór die datum van toepassing en mocht de aanbestedende dienst de regeling voor B-diensten nog toepassen. Klager heeft geen belang bij de klacht dat de aankondiging van de gunning te laat is gepubliceerd, nu zij over de toepassing van de regeling voor B-diensten heeft kunnen klagen en de Commissie daarover een inhoudelijk oordeel heeft gegeven.

Advies 3756 december 2016

Advies 375

> Meervoudig onderhandse aanbesteding voor vervanging van bruggen door duikers. Klager is een brancheorganisatie die optreedt namens een ondernemer die de opdracht wil verwerven. Geklaagd wordt over een Social Return (“SROI”) eis die er op neerkomt dat bij definitieve gunning door inschrijver een cliënt uit het bestand van een Wergeversservicepunt (WSP) voor tenminste een periode van 1 jaar in dienst wordt genomen waarbij uitstroom bij het WSP is gegarandeerd. Klager stelt dat deze eis niet ingezet mag worden bij aanbestedingsprocedures en dat deze bovendien disproportioneel en discriminerend is. Klager heeft gesteld dat SROI ineffectief is, niet leidt tot duurzame banen, verdringing tot gevolg heeft en juist drempels voor met name het MKB opwerpt, maar naar het oordeel van de Commissie heeft zij die stellingen onvoldoende onderbouwd. Mede onder verwijzing naar de Gids Proportionaliteit komt de Commissie tot het oordeel dat de eis op zich niet ontoelaatbaar is. Onder verwijzing naar haar adviezen 98 en 290 overweegt de Commissie dat een voorwaarde is dat er een direct verband bestaat tussen de uitvoering van de opdracht en de SROI-eis. Verder overweegt de Commissie dat de inhoud van de SROI-eis niet duidelijk is, onder meer omdat niet vaststaat hoe groot de omvang van de dienstbetrekking moet zijn. Omdat de uitvoeringsduur van de opdracht geschat wordt op 2 tot 2½ maand en de dienstbetrekking na die periode dus nog 9 à 10 maanden doorloopt, acht de Commissie het direct verband tussen de eis en de uitvoering van de opdracht in onvoldoende mate aanwezig, zodat de eis disproportioneel verklaard wordt. Klager stelt dat een inschrijver die al een cliënt van het WSP in dienst heeft genomen, geacht wordt aan de eis te voldoen en daardoor voordeel zou hebben ten opzichte van inschrijvers die dat nog niet gedaan heeft. De Commissie ziet hierin echter geen strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Advies 37414 oktober 2016

Advies 374

> Alle redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige gegadigden hadden moeten begrijpen dat de (eerste) aanbestedingsprocedure werd beëindigd. Bij een "kennisgeving van aanvullende informatie over een onvolledige procedure of rectificatie" dienen gegadigden heel alert te zijn. Ook behoort het tot hun verantwoordelijkheid nieuwe aankondigingen in de gaten te houden. De aanbestedende dienst mocht erop vertrouwen met de voornoemde kennisgeving voldoende transparant te hebben gehandeld en was niet gehouden de beëindigde (eerste) aanbestedingsprocedure in de gaten te blijven houden.

Advies 3683 oktober 2016Klacht ongegrond

Advies 368

> Nationale openbare aanbesteding voor vervanging van oeververbindingen, onder vigeur van het ARW 2012. Het bestek schrijft het gebruik van stalen damplanken voor die gemaakt zijn van warmgewalst staal. Klager is een leverancier van koudgewalste stalen damplanken en heeft tevergeefs aan beklaagde gevraagd om de eis van warmgewalst staal in te trekken en ook damplanken van koudgewalst staal toe te staan. Daartoe stelt klager dat deze laatste gelijkwaardig zijn met damplanken van warmgewalst staal. Klager stelt dat beklaagde door het verzoek van klager naast zich neer te leggen, heeft gehandeld in strijd met artikel 2.76 Aw 2012. De Commissie toetst de gegrondheid van de klacht aan de hand van het ARW 2012, dat een met artikel 2.6 Aw 2012 vergelijkbare regeling bevat. De Commissie stelt aan de hand van het advies van een externe expert vast dat koudgewalst en warmgewalst staal wezenlijk verschillende eigenschappen hebben en dat warmgewalst staal voor bepaalde toepassingen meer geschikt is dan koudgewalst staal en verklaart de klacht ongegrond.

Advies 36721 september 2016Klacht ongegrond

Advies 367

> Europese openbare aanbesteding voor een raamovereenkomst met meerdere ondernemingen voor het organiseren van handelsmissies en logistiek management voor deelname aan beurzen. Klager stelt in het recente verleden vele bewijzen en sterke aanwijzingen van fraude en overtredingen te hebben, die zich binnen de organisatie van beklaagde zouden hebben voorgedaan in het kader van een eerder inkoop- en aanbestedingsproces. Klager heeft niet ingeschreven op de aanbesteding omdat zij verwacht dat de beoordelaars van beklaagde vooringenomen tegen haar zijn. Sinds 2013 heeft klager een groot aantal misstanden en overtredingen ter attentie van beklaagde gebracht. Beklaagde heeft hier niet alleen niets mee gedaan, zij heeft deze misstanden en overtredingen actief in de doofpot willen stoppen, aldus klager. De Commissie overweegt onder meer dat klager vraagt om een oordeel over gedragingen van (medewerkers van) beklaagde waarvan zij verwachtte dat die in de onderhavige aanbestedingsprocedure zouden plaatsvinden, gegeven de ervaringen die zij in het verleden heeft opgedaan. Daarmee komt de klacht voor behandeling in aanmerking. De Commissie overweegt dat klager weliswaar vragen heeft gesteld, maar dat beklaagde ten tijde van de vragenronden niet hoefde te begrijpen dat de door klager gepercipieerde integriteitsproblemen de basis vormden voor haar verwachting dat beklaagde bij de uitvoering van de onderhavige aanbestedingsprocedure in strijd met de beginselen van aanbestedingsrecht in het nadeel van klager zou gaan handelen. Nu die verwachting van klager de kern van haar klacht vormt, is de Commissie van oordeel dat zij haar bezwaren niet tijdig aan beklaagde kenbaar heeft gemaakt en wordt de klacht ongegrond verklaard. Ten overvloede overweegt de Commissie nog dat klager er in beginsel van moet uitgaan dat beklaagde, ondanks de slechte ervaringen van klager, in een nieuwe aanbestedingsprocedure een professionele houding zal aannemen en daarbij de beginselen en regels van de Aanbestedingswet 2012 in acht zal nemen. Wanneer beklaagde dat onverhoopt niet zou doen, staat het klager vervolgens vrij daar tegen op te komen in een klachtprocedure bij de Commissie of in een procedure bij de rechter.

Advies 36612 september 2016

Advies 366

> De motiveringsplicht van artikel 2.130 Aw 2012 is toegespitst op het bekendmaken van de relatieve meerwaarde die de inschrijving van de winnende inschrijver biedt in het licht van de gestelde gunningscriteria. Er is geen verplichting redenen te geven voor (onder meer) het door die inschrijver voldoen aan de geschiktheidseisen. De verplichting voor de aanbestedende dienst om, op grond van art. 1.9 Aw 2012, transparant te handelen kan een informatieplicht met zich meebrengen. Die plicht wordt echter beperkt door het verbod tot openbaarmaking van vertrouwelijke gegevens, door het verbod gegevens te verstrekken die de commerciële belangen van ondernemers zou kunnen schaden of afbreuk doen aan een eerlijke mededinging en strekt niet verder dan strikt noodzakelijk is om andere inschrijvers in staat te stellen na te gaan of de aanbestedende dienst kon beslissen dat het referentieproject aan de gestelde eis voldoet. Daarbij geldt dat de inschrijver die om informatie vraagt voldoende concrete aanknopingspunten moet geven om zijn gerede twijfel over de beoordeling van het referentieproject te onderbouwen.

Advies 36226 juli 2016

Advies 362

> De geschiktheid van een inschrijver mag niet worden meegenomen bij de beoordeling van de inschrijving op gunningscriteria. In vergelijking met de gepubliceerde versie heeft de aanbesteder de beoordelingssystematiek gewijzigd. Beoordeling van de inschrijvingen op het criterium 'feeling met de cultuur van de aanbesteder' voorziet niet in een gunningscriterium dat alle redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijvers in staat stelt om dit criterium op dezelfde wijze te interpreteren. Strijd met het transparantiebeginsel. Het hanteren van een gefaseerde inschrijvings- en gunningssystematiek is alleen toelaatbaar wanneer na de eerste beoordelingsronde uitsluitend de partijen afvallen die geen enkele kans hebben op gunning. Het gehanteerde beoordelingsmodel levert geen synthetische wijze van beoordeling van de gunningscriteria op.

Hulp nodig bij aanbestedingen?

TenderView.ai helpt u bij het vinden, analyseren en winnen van aanbestedingen met AI.

Gratis starten