CvAE Adviezen

Commissie van Aanbestedingsexperts

Doorzoek 464 adviezen van de Commissie van Aanbestedingsexperts over aanbestedingsrecht en -procedures. De CvAE behandelt klachten van ondernemers en aanbestedende diensten over de toepassing van de Aanbestedingswet 2012.

Advies 44418 december 2017

Advies 444

> Europese niet-openbare procedure voor architectendiensten voor nieuwbouw en inbreiding van een schoolgebouw. Geklaagd wordt door een brancheorganisatie. De klacht omvat vijf onderdelen: Beklaagde heeft de aanbestedingsprocedure slecht voorbereid waardoor de aan-bestedingsstukken en de omschrijving van de opdracht onvoldoende transparant zijn geformuleerd. Het gunningscriterium prijs is onvoldoende transparant. Het door beklaagde gevraagde schetsontwerp (SO) is niet proportioneel gezien de vergoeding die daar tegenover staat en het detailniveau van de gunningscriteria en is tevens onvoldoende transparant. De vrijwaringsclausule van artikel 6.2 in de concept-overeenkomst is ongelimiteerd en daarmee niet proportioneel. Het afstand moeten doen van auteursrechten op tenderonderwerpen is in strijd met het proportionaliteitsbeginsel, zeker voor niet winnende inschrijvers. De Commissie is van oordeel dat beklaagde geen duidelijke omschrijving van de opdracht heeft gegeven. Ook naar aanleiding van vragen van potentiële gegadigden en inschrijvers heeft beklaagde niet duidelijk gemaakt of de opdracht alleen betrekking heeft op het bouwkundig/architectonisch ontwerp of op een ‘total engineering’-opdracht met alle technische disciplines. Als gevolg van de onduidelijkheid over de inhoud van de opdracht heeft beklaagde voor de inschrijvers bovendien geen gelijk speelveld gecreëerd. Het voorgaande betekent dat beklaagde in strijd met de beginselen van transparantie en gelijke behandeling heeft gehandeld, zodat het eerste klachtonderdeel gegrond verklaard wordt. De Commissie is verder van oordeel dat het prijscriterium onvoldoende transparant is doordat de bouwkosten nog niet vastliggen en beklaagde als prijscriterium een percentage van de bouwkosten hanteert. In de Nota’s van inlichtingen heeft beklaagde slechts een schatting van de kosten gegeven, nog daargelaten dat zij het document met de onderbouwing van de bouwkosten met de volgende begeleidende tekst heeft verstrekt: ‘Dit is wel een voorstel/grove schatting en voor ons geen leidraad aangezien wij een aantal zaken in eigen beheer gaan doen.’ Met het voorgaande heeft beklaagde bovendien opnieuw geen gelijk speelveld voor de inschrijvers gecreëerd. Een en ander betekent dat beklaagde in strijd met de beginselen van transparantie en gelijke behandeling heeft gehandeld, zodat het tweede klachtonderdeel gegrond verklaard wordt. Naar het oordeel van de Commissie heeft beklaagde er goed aan gedaan om het vereiste van een voorlopig ontwerp naar aanleiding van vragen te laten varen. In plaats daarvan heeft beklaagde gevraagd om een schetsontwerp. Beklaagde heeft echter nagelaten te omschrijven wat zij onder een schetsontwerp verstaat. Bovendien is het eerste gunningscriterium ‘voorlopig ontwerp’ ongewijzigd gebleven. De elementen ‘Fasering en logistiek’ en ‘Realiseren duurzaamheidsambitie’ lijken niet in een schetsontwerp thuis te horen. Door deze kwalitatieve subgunningscriteria te handhaven, worden de inschrijvers er toch toe aangezet meer dan een schetsontwerp in te dienen. Voor zover het derde klachtonderdeel inhoudt dat het vereiste van het schetsontwerp onvoldoende transparant is, is het naar het oordeel van de Commissie gegrond. Bovendien heeft beklaagde daardoor geen gelijk speelveld voor de inschrijvers gecreëerd. Klager stelt dat de vrijwaringsbepaling van artikel 6.2 van de concept-overeenkomst ongelimiteerd is en dat beklaagde daarmee Voorschrift 3.9 D Gids Proportionaliteit niet in acht neemt. Van ongelimiteerde aansprakelijkheid in de zin van Voorschrift 3.9 D, lid 1, Gids Proportionaliteit is echter geen sprake. Naar het oordeel van de Commissie ligt het voor de hand de vrijwaringsplicht van artikel 6.2 van de concept-overeenkomst in die zin uit te leggen dat opdrachtnemer aansprakelijk is voor schade van derden, met een maximum van € 3.000.000 per jaar, die tijdens de uitvoering van de overeenkomst door hem wordt toegebracht door schuld, opzet of grove nalatigheid, behalve in geval van opzet of grove schuld van opdrachtgever. Daarmee is de aansprakelijkheid voor schade van derden naar het oordeel van de Commissie op drie manieren gelimiteerd. In de eerste plaats is die aan-sprakelijkheid gelimiteerd tot een bedrag van € 3.000.000 per jaar, waarmee geen sprake is van ongelimiteerde aansprakelijkheid in de zin van Voorschrift 3.9 D, lid 1, Gids Proportionaliteit. Ten tweede is die aansprakelijkheid beperkt tot schade toegebracht door schuld, opzet of grove nalatigheid van opdrachtnemer en ten slotte is de aansprakelijkheid voor schade van derden beperkt tot situaties waarin er geen sprake is van opzet of grove schuld van beklaagde. Deze laatste twee beperkingen zien op de vestiging van aansprakelijkheid in de zin van Voorschrift 3.9 A Gids Proportionaliteit. Daarmee acht de Commissie klachtonderdeel 4 ongegrond. Het vijfde klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard omdat klager dit niet tijdig onder de aandacht van beklaagde heeft gebracht. Ten overvloede overweegt de Commissie nog het volgende. In paragraaf 3.1 (“Eisen ten aanzien van de opdracht”) van de Inschrijvingslei-draad is bepaald: ‘U dient afstand te doen van het auteursrecht van het door u ingediend plan.’ Anders dan klager veronderstelt, richt deze eis zich naar het oordeel van de Commissie slechts op de inschrijver die de opdracht gegund krijgt. Alle redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijvers zullen deze eis op deze wijze uitleggen. Deze eis is immers opgenomen in de paragraaf met eisen ten aanzien van de opdracht. De overige eisen in deze paragraaf zien eveneens op de uitvoering van de opdracht. Slechts de eerste eis in deze paragraaf betreffende de vergoeding van € 3000 voor de presentaties ziet op elke deelnemer en vermeldt dat expliciet. Alvorens te kunnen onderzoeken of de eis betreffende het auteursrecht proportioneel is, zal de Commissie beoordelen of de eis voldoende transparant is in die zin dat alle redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijvers dit voor-schrift op dezelfde wijze zullen uitleggen. Naar het oordeel van de Commissie is dit niet het geval. De Commissie gaat ervan uit dat met het ‘ingediend plan’ wordt gedoeld op het schetsontwerp. Zoals ook uit de literatuur blijkt (zie Spoor, Verkade en Visser: Auteursrecht, naburige rechten en databankenrecht, 2005, paragraaf 13.5) is echter niet duidelijk wat is bedoeld met ‘afstand doen’ van het auteursrecht en welke rechtsgevolgen daarmee zijn beoogd. Voor zover beklaagde met de gestelde eis de overdracht van een auteursrecht of de verlening van een licentie heeft willen bewerkstelligen, heeft zij dat niet duidelijk tot uitdrukking gebracht zodat onvoldoende transparant is welk rechtsgevolg uit deze eis voortvloeit.

Advies 44223 maart 2018Klacht gegrond

Advies 442

> Europese openbare procedure voor een overheidsopdracht voor werken voor het ontwerpen en uitvoeren van integraal groot onderhoud aan verhardingen en kunstwerken, het ontwerpen en aanleggen van zogenoemde Meer Veilig-maatregelen en het ontwerpen en aanleggen van twee ecopassages en de verbreding van een N-weg, inclusief alle bijkomende werkzaamheden. De opdracht is verdeeld in drie percelen. Het ARW 2016 is op de procedure van toepassing verklaard. Geklaagd wordt over een technische specificatie betreffende NEN 5190 in eis SYS-0328 in paragraaf 3.8.2 van de Vraagspecificatie Eisen. Daarmee zou beklaagde de vrije toegang van CE-gecertificeerde geleiderail beperken. Beklaagde handelt volgens klager met deze technische specificatie tevens in strijd met artikel 2.76, leden 3 en 4, Aw 2012, artikelen 2.10.4 en 2.10.11 en 2.10.12 ARW 2016 en het transparantiebeginsel. Ook wordt gesteld dat Verordening 305/2001/EU geschonden zou zijn. De Commissie overweegt dat klachten over Verordening 305/2011/EU, voor zover die vallen buiten de werkingssfeer van de Aanbestedingswet 2012, niet in behandeling worden genomen. Uitgangspunt is dat een aanbestedende dienst in beginsel vrij is te bepalen wat hij wil inkopen. Daarbij zal hij zoveel mogelijk moeten aansluiten bij de in de markt gehanteerde standaarden of zijn eisen functioneel moeten specificeren (zie artikel 2.76, lid 1, Aw 2012 en Advies 387, overweging 5.2.4). Verder zal een aanbestedende dienst op basis van artikel 2.76, lid 1, sub a, Aw 2012 zo mogelijk moeten verwijzen naar Europese normen en slechts als deze er niet zijn naar nationale normen kunnen verwijzen. In eis SYS-0328 in paragraaf 3.8.2 van de Vraagspecificatie Eisen eist beklaagde dat wanneer een systeem wordt aangeboden dat weliswaar valt onder de (Europese) EN 1317 norm, maar niet gelijk is aan de constructie conform de (Nederlandse) NEN 5190, gelijkwaardigheid dient te worden aangetoond. Daarmee eist beklaagde dat zowel aan de Europese norm EN 1317 als aan de ingetrokken nationale norm NEN 5190 (of gelijkwaardig) wordt voldaan. Doel van Verordening 305/2011/EU is de totstandbrenging van een goed werkende interne markt voor bouwproducten door middel van geharmoniseerde technische specificaties waarin de prestaties van bouwproducten zijn uitgedrukt. Op basis van Verordening 305/2011/EU worden Europese normen vastgesteld waar bouwproducten aan moeten voldoen. Bouwproducten die aan deze Europese normen voldoen mogen in alle lidstaten op de markt worden gebracht en worden verhandeld. De EN 1317 is de Europese geharmoniseerde norm die van toepassing is op voertuigkerende systemen, waarin de essentiële prestatiekenmerken van voertuigkerende geleiderailsystemen zijn bepaald. De EN 1317 geeft het minimale niveau aan waaraan moet worden voldaan, maar op een zodanige wijze dat er ruimte blijft voor innovatie en de ontwikkeling van de techniek niet wordt tegengehouden. Met het oog daarop geeft de EN 1317 bandbreedtes waarbinnen keuzes kunnen worden gemaakt. Naar het oordeel van de Commissie is in deze zaak onvoldoende gesteld of gebleken dat het niet mogelijk is zowel aan de Europese norm EN 1317 als aan de ingetrokken nationale norm NEN 5190 te voldoen. Klager geeft op haar eigen website aan dat zij ‘alle systemen conform de recent ingetrokken NEN 5190/NEN 5191 en de daarbij behorende hulpconstructies’ levert. De Commissie concludeert daaruit dat technische specificaties van de ingetrokken nationale norm NEN 5190 niet in strijd (hoeven te) zijn met de technische specificaties van de Europese norm EN 1317. De eisen uit de nationale norm kunnen kennelijk als aanvullende eisen worden gezien. Voor zover er aanvullende eisen ten opzichte van de (nationaal omgezette) Europese norm worden gesteld, betreft het eisen die niet in een (omgezette) Europese norm zijn opgenomen. Naar het oordeel van de Commissie staat het bestaan van een Europese norm er dan ook niet aan in de weg dat in een nationale aanbestedingsprocedure aanvullende eisen worden gesteld (Vgl. Rb. Den Haag (Vzr.) 28 december 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:15519, r.o. 4.2 en 4.8, over aanvullende eisen voor combinatievaccins), zolang deze niet in strijd zijn met de Europese norm. Dat een nationale norm is ingetrokken, sluit in beginsel niet uit dat een aanbestedende dienst bepaalde technische specificaties uit de ingetrokken norm voorschrijft in een aanbestedingsprocedure, mits zij aan de wettelijke eisen voldoen. Dat een inschrijver voor het aantonen van de gelijkwaardigheid aan NEN 5190 kan kiezen tussen twee methoden, in plaats van één methode, acht de Commissie als zodanig – anders dan klager – niet bezwaarlijk. Deze keuze geeft de inschrijvers immers juist extra mogelijkheden. Klager heeft gesteld dat de ROA Veilige Inrichting van Bermen/2014, waarnaar beklaagde verwijst in het kader van de mogelijkheid gelijkwaardigheid aan de NEN 5190 aan te tonen, niet bestaat. Er zou wel een conceptversie van 2015 en een definitieve versie van 2017 zijn. Beklaagde heeft hierop niet gereageerd. De Commissie heeft op 23 maart 2018 op de website van beklaagde een versie van de ROA Veilige Inrichting van Bermen uit 2017 gevonden. Op 23 maart 2018 is op de website van het CROW vermeld dat een versie van de ROA Veilige Inrichting van Bermen uit 1999 op dit moment niet beschikbaar is. In de ROA Veilige Inrichting van Bermen uit 2017 is aangegeven dat deze de ROA Veilige Inrichting van Bermen uit 1999 herziet. Daarmee is de eis wat dat betreft, zeker voor potentiële buitenlandse inschrijvers, naar het oordeel van de Commissie onvoldoende transparant. Klager heeft ook gesteld dat paragraaf 3.3.2 ROA Veilige Inrichting van Bermen in de versie van 2015 en in de versie van 2017 geen toetsingskader bevat. Beklaagde heeft ook daarop niet gereageerd. Daarmee is de eis ook wat dat betreft, zeker voor potentiële buitenlandse inschrijvers, onvoldoende transparant. Daarmee acht de Commissie de klacht gegrond, voor zover is geklaagd dat beklaagde in strijd heeft gehandeld met het transparantiebeginsel. De Commissie heeft op dezelfde datum in een soortgelijke zaak Advies 458 uitgebracht.

Advies 44115 december 2017

Advies 441

> Europese openbare procedure voor een opdracht voor sociale en andere specifieke diensten in het kader van het uitvoeren van ondersteuningsvormen voor volwassenen (18+) op basis van de Wmo 2015 in de vorm van ondersteuningsprofielen en het uitvoeren van beschut werk in het kader van de Participatiewet. Beklaagde heeft voor elk van de zes percelen een vast tarief vastgesteld. Tijdens de aanbesteding wordt alleen getoetst of de inschrijver aan bepaalde geschiktheidseisen voldoet. Wanneer dat het geval is, wordt aan hem een raamovereenkomst gegund. De klacht omvat twee onderdelen: Het door beklaagde gehanteerde tarief voor huishoudelijke hulp met betrekking tot perceel 4A is onredelijk en daarom, gezien artikel 2.2.6 Wmo jo. artikel 5.4 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, onrechtmatig. Beklaagde handelt hiermee in strijd met het proportionaliteitsbeginsel. Beklaagde vraagt inschrijvers bij het uitvoeren van de dienstverlening mee te werken aan een werkwijze die in strijd is met uitspraken van de Centrale Raad van Beroep. Ook dit is in strijd met het proportionaliteitsbeginsel. De Commissie vraagt zich allereerst af of in het onderhavige geval sprake is van handelen of nalaten van beklaagde dat binnen de werkingssfeer van de Aanbestedingswet 2012 valt. In dat kader moet worden nagegaan hoe het door beklaagde opgezette systeem van inkoop van diensten binnen het Europees en nationaal aanbestedingsrecht moet worden geduid. In dat kader is het arrest van het HvJ EU van 2 juni 2016, zaak C-410 (Falk/DAK) en de laatste alinea van overweging 114 van de considerans in realtie tot artikel 73 van de Richtlijn 2014/24/EU van belang. Hoewel de mogelijkheid bestaat dat belangstellende ondernemers gedurende de looptijd van de overeenkomst toetreden tot het systeem, is de mogelijkheid daartoe - anders dan in de zaak die speelde in het arrest Falk/DAK (rov. 41) - gebonden aan een aanvullende voorwaarde. Beklaagde heeft latere toetreding tot het systeem immers afhankelijk gemaakt van de volgende voorwaarde: gedurende de looptijd van de raamovereenkomst kan een belangstellende ondernemer slechts tot de raamovereenkomst toetreden indien hij voor het betreffende perceel bijdraagt aan het borgen van de keuzevrijheid van de cliënten of indien het aanbod van de nieuwe opdrachtnemer aanvullend en van toegevoegde waarde is en het zo bijdraagt aan de uitbreiding van de keuzemogelijkheden voor de cliënten. In het in het Falk/DAK-arrest beschreven systeem daarentegen kunnen ondernemers tijdens de gehele looptijd van het systeem blijven toetreden, zonder dat zij daarin worden beperkt door een aanvullende voorwaarde zoals hiervoor bedoeld. Mede omdat partijen zelf uitgaan van de toepasselijkheid van de Aanbestedingswet 2012, laat de Commissie dit vraagpunt rusten. Beklaagde heeft voor het pakket huishoudelijke hulp van perceel 4A een tarief vastgesteld dat een gewogen gemiddelde inzet ten behoeve van alle cliënten binnen dat pakket representeert. Dit betekent dat voor de ene cliënt meer en voor de andere cliënt minder ondersteuning kan worden ingezet dan waarop het tarief is gebaseerd. Het is de bedoeling dat de aanbieder in totaal uitkomt met de tarieven. Beklaagde heeft een uitvoerig voorbereidingstraject doorlopen om tot de onderhavige aanbestedingsprocedure en de daarin gehanteerde tarieven te komen. Daarbij is een extern adviesbureau ingeschakeld en zijn potentiële aanbieders betrokken. Dit proces heeft tot vaststelling van een tarief voor huishoudelijke hulp voor perceel 4A geleid. Deze prijs is volgens beklaagde gebaseerd op de kostprijselementen die in artikel 5.4 lid 3 Wmo 2015 worden genoemd: a) de kosten van de be-roepskracht, b) redelijke overheadkosten, c) kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg, d) reis- en opleidingskosten, e) indexatie van de reële prijs voor het leveren van de diensten, en f) overige kosten als gevolg van door beklaagde gestelde verplichtingen voor aanbieders (waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen). Beklaagde heeft aangevoerd dat de cliënten die in 2016 uitsluitend huishoudelijke hulp hebben ontvangen, en dus in de nieuwe situatie in pakket 4A zouden vallen, in het eerste en vierde kwartaal gemiddeld een indicatie hebben gekregen voor 3 uren per week. Van die geïndiceerde uren is gemiddeld 86 respectievelijk 87% daadwerkelijk ingezet door de aanbieders. Bij de vaststelling van het tarief is beklaagde daarom uitgegaan van een gemiddelde aan daadwerkelijk ingezette uren per week per cliënt van (afgerond) 2,5. Ook in 2017 worden tot en met 10 september 2017 gemiddeld 3 uren per week geïndiceerd en wordt gemiddeld 87% van de geïndiceerde uren daadwerkelijk ingezet door aanbieders. In de praktijk zijn de daadwerkelijk ingezette uren kennelijk structureel lager dan de geïndiceerde uren. Volgens beklaagde kunnen redenen hiervoor zijn vakantie of ziekte van de cliënt, onvoorziene omstandigheden bij de hulpverlener, maar kan het ook zijn dat de hulpvraag in de praktijk beperkter blijkt te zijn dan in het “keukentafelgesprek” is geconstateerd. Wat betreft de situatie van klager geeft beklaagde aan dat haar cliënten in 2017 tot 10 september 2017 een indicatie hebben gehad voor gemiddeld 3,06 uur huishoudelijke hulp per week en dat daarvan gemiddeld 95% van de uren daadwerkelijk werden gedeclareerd. Klager zet dus meer uren daadwerkelijk in dan ‘de gemiddelde aanbieder’. Naar het de Commissie voorkomt, is beklaagde bij het vaststellen van het tarief voor perceel 4A binnen de grenzen gebleven van de toepasselijke regelgeving. Bij het vaststellen van het tarief heeft beklaagde getracht een reële kostprijs te berekenen. In dat kader is het logisch dat beklaagde rekening houdt met het aantal daadwerkelijk ingezette uren per week. Het (gemiddeld) aantal daadwerkelijk ingezette uren heeft beklaagde met cijfers onderbouwd. Naar het oordeel van de Commissie mag beklaagde in dit kader in beginsel uitgaan van het gemiddeld aantal daadwerkelijk ingezette uren per week. Dat klager meer uren daadwerkelijk inzet dan het gemiddelde, doet aan het voorgaande niet af. Bij het vaststellen van een tarief voor alle aanbieders hoeft beklaagde in beginsel geen rekening te houden met een aanbieder die aanzienlijk afwijkt van dat gemiddelde. Klager heeft gesteld dat zij niet minder uren mag inzetten dan zijn geïndiceerd en dat beklaagde dat niet van haar mag vragen. Klager heeft echter niet gesteld dat cliënten de geïndiceerde uren altijd volledig moeten gebruiken. De Commissie kan zich allerlei omstandigheden voorstellen waardoor het aantal geïndiceerde uren niet volledig wordt ingeroepen door de cliënt, zoals de situatie dat er toch minder uren nodig blijken te zijn dan in eerste instantie is geïndiceerd, dat een cliënt op vakantie is en zijn of haar sleutel niet wil afstaan of dat de cliënt opgenomen wordt in een ziekenhuis. Beklaagde heeft op basis van verricht onderzoek onderbouwd dat het aantal geïndiceerde uren niet altijd volledig wordt ingezet. Deze cijfers staan tussen partijen niet ter discussie. Overigens is ook niet gesteld of gebleken dat de andere aanbieders in strijd met het recht handelen door niet alle geïndiceerde uren daadwerkelijk in te zetten. Derhalve worden beide klachtonderdelen ongegrond verklaard.

Advies 44027 februari 2018

Advies 440

> Meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedure voor een (concessie)opdracht voor diensten voor het beschikbaar stellen, plaatsen, beheren en onderhouden van een (e-)fietsendeelsysteem met een looptijd van 37 +12 = 49 maanden. Klager heeft bij haar ingediende business case een onderbouwing van de vaste looptijd van 37 maanden gegeven, maar niet voor het laatste optiejaar. Om die reden scoort klager zeer laag op een aantal gunningscriteria. De klacht bestaat uit twee onderdelen: 1- Vraag 1.4.1.a is onvoldoende transparant en beklaagde heeft de vragen 1b, 1c en 1d ten onrechte met 0 punten beoordeeld; 2- De argumentatie van beklaagde dat zij financieel risico loopt in jaar 4 is ongegrond. Omdat de opdrachtnemer na de pilotperiode wordt geacht een rendabele en concurrerende bedrijsvoering op te zetten zonder verdere financiële steun van beklaagde of de gemeente A gaat de Commissie ervan uit dat het operationele risico na de (betaalde) pilotperiode bij de opdrachtnemer komt te liggen, zodat sprake is van een concessieopdracht voor diensten. De Commissie gaat er overigens vanuit dat deel 2a Aw 2012 op deze concessieopdracht niet van toepassing is omdat gesteld noch gebleken is dat de waarde van de opdracht de in 2017 geldende drempelwaarde van € 5.225.000 excl. BTW overschrijdt. Voor de beoordeling van de inschrijvingen geldt op basis van paragraaf 1.2 van het Aanbestedingsdocument dat beklaagde met één ondernemer een overeenkomst wil aangaan voor de looptijd van 37 maanden. Daarnaast is in dezelfde paragraaf opgenomen dat beklaagde zich de mogelijkheid voorbehoudt om na een positieve evaluatie de overeenkomst te verlengen met maximaal één jaar zodat de maximale looptijd van de overeenkomst 49 maanden bedraagt. In onderdeel 1.4.1.a van subgunningscriterium 1.4.1 ('Financieel bedrijfsplan') van het Beschrijvend Document wordt aan inschrijvers gevraagd om een beschrijving te leveren van (minimaal): 'a. Een sluitende begroting (baten/lasten overzicht) waaruit blijkt dat de organisatie/activiteiten rendabel zijn op basis van de volledige looptijd van de overeenkomst (maximaal 49 maanden).' De Commissie is van oordeel dat alle redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijvers onderdeel 1.4.1.a, in samenhang gelezen met de verlengingsmogelijkheid voor beklaagde, zo zullen uitleggen dat inschrijvers bij hun inschrijving een financieel plan moesten overleggen dat uitgaaat van de volledige looptijd van de overeenkomst van maximaal 49 maanden. Van strijd met het transparantiebeginsel is naar het oordeel van de Commissie geen sprake. De Commissie is voorts van oordeel dat, nu bij het opstellen van het bedrijfsplan moest worden uitgegaan van de maximale duur van de overeenkomst van 49 maanden, dit uitgangspunt gevolgen heeft voor de beoordeling van de onderdelen 1b tot en met 1d van subgunningscriterium 1.4.1 (Financieel bedrijfsplan). Voor elk onderdeel geldt namelijk dat dit betrekking moet hebben op een financieel plan voor 49 maanden: dat houdt in dat de continuïteit gewaarborgd moet zijn voor die periode en dat bij de beschrijving van tarieven en abonnementen ook rekening moet worden gehouden met die termijn. Met beklaagde is de Commissie van oordeel dat voor de onderdelen 1.4.1.b tot en met 1.4.1.d geen afzonderlijke, van de beoordeling van het financieel bedrijfsplan afwijkende, score mogelijk is als het financieel bedrijfsplan zelf geen betrekking heeft op de maximale looptijd van 49 maanden. Omdat het financieel plan van klager geen betrekking heeft op een periode van 49 maanden, heeft beklaagde naar het oordeel van de Commissie terecht niet kunnen beoordelen of er in het vierde jaar sprake zal zijn van financiële risico's. Ook klachtonderdeel 2 is daarmee ongegrond.

Advies 43928 november 2017

Advies 439

> Europese openbare procedure voor een raamovereenkomst voor diensten betreffende het vervoer van stoffelijke overschotten. De opdracht is verdeeld in 23 percelen, waaronder één perceel de meldkamer betreft. Er zijn twee klachtonderdelen: 1. Beklaagde overschrijdt bij het in de markt zetten van onderhavige opdracht haar wettelijke taakstelling op het gebied van het vervoer van stoffelijke overschotten. In dit kader stelt beklaagde disproportionele eisen. Beklaagde handelt ook in strijd met het beginsel van gelijke behandeling door slechts bij gemeente F rekening te houden met de lokale afspraken die de gemeente heeft gemaakt met de (plaatselijke) vervoerders. 2. Beklaagde legt een disproportioneel incassorisico neer bij de vervoerders van de stoffelijke overschotten. Op grond van artikel 7 lid 1 sub a van het Reglement van de Commissie kan een klacht bij de Commissie worden ingediend door ondernemers die een opdracht willen verwerven. Deze bepaling noemt als voorbeelden (potentiële) gegadigden, (potentiële) inschrijvers en ook onderaannemers van (potentiële) inschrijvers. De Commissie is van oordeel dat deze bepaling ruim moet worden uitgelegd in die zin dat niet alleen onderaannemers maar alle ‘onderopdrachtnemers’ van (potentiële) gegadigden of inschrijvers een klacht mogen indienen bij de Commissie (zie Advies 368, overwegingen 5.3 en 5.4). Nu klager een opdrachtnemer is van een inschrijver neemt de Commissie de klacht dan ook in behandeling. De Commissie stelt voorop dat zij slechts bevoegd is te oordelen over handelen of nalaten van beklaagde dat binnen de werkingssfeer van de Aanbestedingswet 2012 valt (artikel 1 sub c Reglement Commissie). Klager stelt met klachtonderdeel 1 allereerst dat beklaagde in het kader van de onderhavige aanbestedingsprocedure disproportionele eisen stelt. Klager onderbouwt dat in de kern slechts met de stelling dat beklaagde bij het in de markt zetten van de onderhavige opdracht haar wettelijke taakstelling op het gebied van het vervoer van stoffelijke overschotten ruimschoots te buiten gaat. Nog daargelaten dat de Commissie gelet op het bepaalde in artikel 1 sub c Reglement niet bevoegd is om te beoordelen of beklaagde buiten haar wettelijke taken treedt, kan zij op basis van het door klager gestelde ook overigens niet tot het oordeel komen dat de eisen in de aanbestedingsprocedure disproportioneel zijn. Voor zover in klachtonderdeel 1 ten slotte wordt geklaagd over strijd met het beginsel van gelijke behandeling treft de klacht evenmin doel. Klager stelt dat beklaagde bij het ene perceel wel rekening houdt met lokale afspraken en bij de andere percelen niet. Er zou dus sprake zijn van ongelijkheid tussen inschrijvers op het ene perceel en inschrijvers op de andere percelen. Uit het beginsel van gelijke behandeling volgt echter niet dat de voorwaarden in alle percelen gelijk moeten zijn. Per perceel worden de inschrijvers gelijk behandeld en dat maakt naar het oordeel van de Commissie dat van strijd met het beginsel van gelijke behandeling geen sprake is. Het eerste klachtonderdeel wordt derhalve ongegrond verklaard. In paragraaf 2.2.2 (“Financiële afhandeling van Aanvragen”) eis E-MK-12 (“Inning betalingen (totaal-)facturen door betalingsplichtigen”) van de Aanbestedingsleidraad dat zich richt op perceel 1 betreffende de meldkamer is, onder meer, het volgende bepaald: ‘De Opdrachtnemer is verantwoordelijk voor het innen van alle kosten die voortvloeien uit VSO. Dat betekent dat hij: (…) - Indien een betalingsplichtige ook dan in gebreke blijft; betaalt [Beklaagde] de factuur voorlopig, zodat het Mortuarium, de Vervoerder en de meldkamer hun kosten vergoed krijgen. Echter, de Opdrachtnemer zorgt ervoor dat de kosten alsnog bij de betalingsplichtige worden geïncasseerd, Zodra de factuur door de betalingsplichtige is betaald, betaalt de Opdrachtnemer [Beklaagde].’ Vervolgens heeft beklaagde in het antwoord op vraag 12 in de eerste Nota van Inlichtingen, onder meer, bepaald: ‘Indien [Beklaagde] de kosten van de Vervoerder niet kan declareren bij een gemeente of nabestaanden, betaalt [Beklaagde] de Vervoerder.’ De Commissie leidt dan ook uit de aanbestedingsstukken af dat beklaagde geen – en dus ook niet een disproportioneel – incassorisico bij de vervoerders neerlegt. Daarmee acht de Commissie ook klachtonderdeel 2 ongegrond.

Advies 43817 november 2017

Advies 438

> Europese openbare procedure voor diensten voor het verzorgen van diverse vormen van vervoer in de betreffende regio, waaronder WMO-vervoer (sociaal vervoer en dagbestedingsvervoer), leerlingenvervoer en vervoer van jeugdigen in het kader van de Jeugdwet. De opdracht is verdeeld over drie percelen waarbij een inschrijver op maximaal twee van de drie percelen mag inschrijven. De klacht bestaat uit twee onderdelen: 1. Beklaagden handelen in strijd met het proportionaliteitsbeginsel doordat de bovengrens voor de kostprijs per declarabele reizigerkilometer voor incidentele ritten niet realistisch is. 2. Beklaagden handelen in strijd met de beginselen van gelijke behandeling en transparantie door geen level playing field te waarborgen door verouderde vervoersgegevens te verstrekken. De Commissie stelt vast dat partijen het er over eens zijn dat de opbrengst voor de opdrachtnemer minimaal € 32 per uur moet zijn. Volgens beklaagden kan deze minimumopbrengst met de in de aanbestedingsstukken bepaalde bovengrens worden gehaald. Beklaagden hebben in dat kader aangegeven dat een combinatiegraad van 1,3 tot 1,5 mogelijk is, terwijl klager in haar berekeningen lijkt uit te gaan van een combinatiegraad van 1,0. In haar klacht bij de Commissie herhaalt klager haar berekeningen uit de klacht bij het klachtenmeldpunt zonder in te gaan op de kanttekeningen die beklaagden en het klachtenmeldpunt bij haar berekeningen hebben geplaatst. In het licht van die kanttekeningen had het op de weg van klager gelegen haar stellingen nader te onderbouwen. Zo maakt klager niet duidelijk van welke com-binatiegraad zij bij haar berekeningen is uitgegaan en of zij de door beklaagde gehanteerde combinatiegraad van 1,3 of 1,5 reëel acht. In dat licht heeft klager haar klacht onvoldoende onderbouwd. Het eerste klachtonderdeel wordt derhalve ongegrond verklaard. Naar aanleiding van vragen van potentiële inschrijvers hebben beklaagden in eerste instantie geantwoord geen aanvullende informatie te willen of kunnen verstrekken. Vervolgens hebben beklaagden alsnog ritdata bij de huidige vervoerders, waaronder klager, opgevraagd en op 13 oktober 2017 aanvullende informatie aan de potentiële inschrijvers verstrekt. Klager voert aan dat beklaagden andere ritdata aan de potentiële inschrijvers hebben bekendgemaakt dan klager bij beklaagden had aangeleverd. Het zouden verouderde gegevens betreffen. In het kader van de klacht bij het klachtenmeldpunt heeft beklaagde aangevoerd dat data continu veranderen en dat de gegevens afkomstig zijn van het moment van publicatie van de aanbesteding. Beklaagden hebben erkend dat er nadien (‘wellicht’) wijzigingen hebben plaatsgevonden doordat er een tussenliggende zomervakantie is geweest. Naar het oordeel van de Commissie is een aanbestedende dienst niet gehouden om gedurende een aanbestedingsprocedure steeds geactualiseerde informatie aan de potentiële inschrijvers te verstrekken, indien dat niet noodzakelijk is voor het kunnen doen van een inschrijving. In het onderhavige geval hebben beklaagden naar aanleiding van vragen van potentiële inschrijvers extra informatie bij de huidige vervoerders, waaronder klager, opgevraagd. Vervolgens hebben beklaagden extra informatie aan de potentiële inschrijvers verstrekt, maar niet de meest recente ritdata van het leerlingenvervoer uit het nieuwe schooljaar die zij van klager hebben ontvangen. Naar het oordeel van de Commissie zijn de ritdata van klager van het leerlingen-vervoer van het nieuwe schooljaar relevant voor het doen van een inschrijving. De Commissie onderkent dat een kennisvoorsprong in de regel inherent is aan de aanbesteding van een opdracht die de voortzetting is van een lopende opdracht. De Commissie is echter van oordeel dat het problematisch is dat klager, die deel uitmaakt van de huidige vervoerders, over meer informatie beschikte dan de andere potentiële inschrijvers en deze informatie in het bezit van beklaagden was. Het tweede klachtonderdeel wordt derhalve gegrond verklaard.

Advies 43713 november 2017

Advies 437

> Europese openbare aanbestedingsprocedure voor diensten betreffende inspecties, preventief onderhoud, correctief onderhoud (storingen) en herstellingen (manco's) van hijswerktuigen ten behoeve van objecten van X. De opdracht is verdeeld in vijf percelen. Hoofdstuk 2 van het ARW 2016 is van toepassing verklaard. De inschrijving van klager is ongeldig verklaard omdat Bijlage 12 Herstellingen hijswerktuigen ontbreekt. Klager maakt hiertegen bezwaar. De Commissie constateert dat in de Aanbestedingsleidraad is bepaald dat ondernemingen die in aanmerking willen komen voor gunning van de opdracht een tijdige, volledige en correcte inschrijving per perceel moeten indienen via het dashboard van deze aanbesteding. Vervolgens is bepaald dat bepaalde documenten per perceel via TenderNed moeten worden ingediend. Dat Bijlage 12 "Herstellingen hijswerktuigen [perceelnaam]" uiterlijk bij inschrijving moest worden ingediend, is hier niet bepaald. In paragraaf 7.3 ("Financieel Criterium) van de Aanbestedingsleidraad is bepaald dat het financieel criterium bestaat uit de inschrijvingssom, zoals ingevuld op het inschrijvingsbiljet. Ook is bepaald dat voor de bepaling van de laagste fictieve inschrijfsom per perceel de inschrijving zal worden beoordeeld op de evaluatieprijs. Vervolgens is in paragraaf 7.3 bepaald dat de evaluatieprijs de optelsom betreft van drie elementen: 1. preventief onderhoud; 2. correctief onderhoud en 3. herstelwerkzaamheden voortkomend uit onderhoud. De inschrijver met de laagste evaluatieprijs heeft de laagste fictieve inschrijfsom ingediend. Voor het derde element 'herstelwerkzaamheden voortkomend uit onderhoud' wordt in paragraaf 7.3 verwezen naar de bijlage 'Herstellingen hijswerktuigen'. Bijlage 12 bevatte dus onderliggende prijzen die bepalend waren voor een onderdeel van de evaluatieprijs waarop de inschrijvingen werden beoordeeld. De Commissie merkt op dat het op de weg van beklaagde had gelegen in de aanbestedingsstukken te vermelden dat ook Bijlage 12 uiterlijk bij inschrijving had moeten worden ingediend. Beklaagde vindt dat zelf ook: zij heeft zelf aangegeven dat Bijlage 12 abusievelijk niet is opgenomen in de lijst met bij inschrijving in te dienen documenten en merkt dat zelf aan als een 'slordigheid'. Het voorgaande laat naar het oordeel van de Commissie echter onverlet dat alle redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijvers de Aanbestedingsleidraad zo zullen hebben begrepen dat per perceel ook Bijlage 12 "Herstellingen hijswerktuigen" uiterlijk bij inschrijving moet worden ingediend. Tot slot komt de vraag aan de orde of klager in de gelegenheid had moeten worden gesteld alsnog de ontbrekende Bijlage 12 in te dienen. Naar het oordeel van de Commissie kan het alsnog indienen van Bijlage 12 niet worden aangemerkt als een klaarblijkelijk eenvoudige precisering of het rechtzetten van kennelijke materiële fouten. Hoewel de evaluatieprijs gelijk zou moeten blijven, zou klager daarmee de mogelijkheid hebben om de prijzen in Bijlage 12 te wijzigen en daarmee in werkelijkheid een nieuwe inschrijving in te dienen. Het voorgaande betekent dat beklaagde de inschrijving van klager terecht als ongeldig terzijde heeft gelegd zonder klager nog in de gelegenheid te stellen het gebrek in haar inschrijving te herstellen. De klacht is derhalve ongegrond.

Advies 43616 februari 2018

Advies 436

> X heeft op 5 juni 2000 een offerte aan beklaagde verzonden voor het leveren van diensten met betrekking tot de begeleiding en ondersteuning van de organisatie van kermissen. Klager stelt dat beklaagde in november 2003 een overheidsopdracht ten onrechte voor onbepaalde tijd enkelvoudig onderhands gegund heeft aan X. De onderhavige overheidsopdracht is in 2003 aan X gegund voor onbepaalde tijd. De daaraan voorafgaande inkoopprocedure is dus ruim vóór inwerkingtreding van de Aanbestedingswet 2012 afgerond. Dat betekent dat de Aanbestedingswet 2012 – mede gelet op de in die wet opgenomen overgangsbepalingen – niet op die procedure van toepassing is. Nu deze opdrachtverlening buiten de werkingssfeer van de Aanbestedingswet 2012 valt, kan de Commissie de klacht niet in behandeling nemen. Ten overvloede overweegt de Commissie het volgende. Naar huidig recht zou een overheidsopdracht voor het organiseren van kermissen ‘specifieke diensten’ betreffen in de zin van artikel 2.6a Aw 2012 en Bijlage XIV van Richtlijn 2014/24/EU. Op basis van artikel 2.6a Aw 2012 jo. artikel 4, onderdeel d, Richtlijn 2014/24/EU bedraagt de drempelwaarde voor dergelijke ‘specifieke diensten’ € 750.000 en kan het regime van de artikelen 2.38 en 2.39 worden toegepast. Voor dergelijke diensten is een hogere drempelwaarde vastgesteld dan voor reguliere diensten vanwege de ‘beperkte grensoverschrijdende dimensie’ van deze diensten (vgl. overwegingen 114, 115 en 116 van de considerans van Richtlijn 2014/24/EU). Naar huidig recht is het op zichzelf niet verboden een overeenkomst te sluiten voor een overheidsopdracht voor diensten voor onbepaalde duur. De waarde van die opdracht voor onbepaalde duur of met een looptijd langer dan 48 maanden dient dan te worden geraamd op grondslag van het maandelijks te bepalen bedrag vermenigvuldigd met 48 (artikel 2.17, onderdeel e, Aw 2012). De Commissie wijst beklaagde er evenwel op dat naar het oordeel van het Hof van Justitie van de Europese Unie een praktijk om een overheidsopdracht voor dienstverlening voor onbepaalde tijd af te sluiten op zichzelf niet past binnen het stelsel en de doelstelling van de Europese regels betreffende overheidsopdrachten. Het Hof is van oordeel dat een dergelijke praktijk op den duur de mededinging tussen potentiële dienstverleners kan belemmeren en de toepassing van de bepalingen van de Europese richtlijnen inzake de openbaarheid van procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten kan verhinderen (vgl. HvJ 19 juni 2008, C-454/06, Pressetext, ECLI:EU:C:2008:351, r.o. 73; HvJ 25 maart 2010, C-451/08, Helmut Müller, ECLI:EU:C:2010:168, r.o. 79). Tegen deze achtergrond en mede gelet op het eigen inkoopbeleid van beklaagde, beveelt de Commissie beklaagde aan de keuze van de procedure voor het plaatsen van de onderhavige overheidsopdracht en de keuze voor de toe te laten ondernemer(s) met inachtneming van artikel 1.4 Aw 2012 te heroverwegen.

Advies 4359 februari 2018

Advies 435

> Beklaagde heeft op 23 februari 2016 een overheidsopdracht voor diensten voor de begeleiding en ondersteuning van de organisatie van kermissen in 2016 enkelvoudig onderhands aan X gegund. Volgens klager gunt beklaagde sinds 40 jaar deze opdracht ten onrechte jaarlijks enkelvoudig onderhands aan X. De Commissie stelt voorop dat zij beoordeelt of aanbestedende diensten handelen overeenkomstig de bepalingen van de Aw 2012. De argumenten van klager ontleend aan het bestuursrecht blijven derhalve buiten beschouwing omdat de Commissie niet bevoegd is daarover te oordelen. Omdat uit de reactie op de klacht kan worden afgeleid dat beklaagde ook in 2018 de opdracht enkelvoudig onderhands zal gunnen aan X, zal de Commissie die opdrachtverlening beoordelen naar de ten tijde van die opdrachtverlening geldende Aw 2012, zijnde de versie van na 1 juli 2016. De Commissie constateert dat deze overheidsopdracht ‘specifieke diensten’ betreft in de zin van artikel 2.6a Aw 2012 en Bijlage XIV van Richtlijn 2014/24/EU. Indien klager meent dat de drempelwaarde van € 750.000 wordt overschreden, heeft zij dat onvoldoende onderbouwd. Volgens beklaagde is de waarde gemiddeld € 12.850 per jaar en over vier jaar ongeveer € 51.400. Daarmee is niet gebleken dat de drempelwaarde van € 750.000 wordt overschreden. De Commissie neemt voorshands aan dat deel 2 van de Aanbestedingswet 2012 niet op deze opdracht van toepassing is. Beklaagde diende ten tijde van de gunning van de opdracht aan X voor 2018 de bepalingen van afdeling 1.2.2 en deel 2 van de Aanbestedingswet 2012 weliswaar niet in acht te nemen, maar wel het bepaalde in art. 1.4, lid 1, onder a en b, jo. art. 1.4, lid 3, Aw. Deze bepalingen houden allereerst in dat beklaagde de keuze voor de enkelvoudig onderhandse gunning en de keuze van de gunning van de opdracht aan X, op basis van objectieve criteria dient te bepalen. In de tweede plaats houden deze bepalingen in dat beklaagde die keuze op verzoek van klager dient te motiveren (Advies 27, overweging 6.5, Advies 319, overweging 5.3.13 en Advies 419, overweging 6.2.7). Beklaagde heeft zich via haar inkoopbeleid verbonden aan inachtneming van de Gids Proportionaliteit. Zij heeft daarin immers vermeld dat zij met inachtneming van de Gids Proportionaliteit bij de in haar beleid vermelde drempelbedragen een bepaalde procedure zal hanteren. Voor opdrachten voor leveringen en diensten tussen € 35.000 en € 200.000 heeft zij aangegeven dat dit de meervoudig onderhandse procedure is. De argumenten van beklaagde ter motivering van de keuze voor de enkelvoudig onderhandse gunning komen erop neer dat zij vindt dat de huidige wijze van organiseren en gunnen van opdrachten zorgvuldig verloopt, dat het onzorgvuldig zou zijn jegens X om na 40 jaar de opdrachtverlening te beëindigen, dat er tijd nodig is voor advisering over de optimale procedure voor de kermis en het vastleggen van de voorwaarden en condities in een bestek zodat geborgd wordt dat de kermis goed verloopt zonder dat openbare orde en veiligheid in gevaar komen, waarbij beklaagde aantekent dat de afwijking van het inkoopbeleid, gemeten over vier jaar, slechts marginaal is. Beklaagde erkent dat zij haar argumenten eerder aan klager kenbaar had moeten maken. Beklaagde beschrijft in feite slechts dat zij de jarenlange relatie met X niet zo maar wenst af te breken, dat zij tijd nodig heeft om van koers te veranderen en dat de keuze van de aanbestedingsprocedure van meer afhankelijk is dan alleen de geraamde waarde. Hoewel de Commissie er begrip voor heeft dat beklaagde het lastig vindt om na zo lange tijd haar keuze voor de procedure en voor de toe te laten ondernemer(s) te herzien, moet zij vaststellen dat geen van de argumenten van beklaagde kan worden beschouwd als een objectief criterium in de zin van Voorschrift 3.4 A van de Gids Proportionaliteit voor het stelselmatig enkelvoudig onderhands gunnen van de opdrachten aan X. Alles afwegende is de Commissie van oordeel dat beklaagde handelt in strijd met haar verplichtingen op grond van artikel 1.4 lid 1 onder a en b en lid 3 Aw 2012 en dat de motivering van beklaagde, die zij eerst kenbaar heeft gemaakt in reactie op de klacht van klager bij de Commissie, haar beslissing om de opdracht voor de organisatie van de kermis in 2018 enkelvoudig aan X te gunnen niet kan dragen. De klacht wordt derhalve gegrond verklaard.

Advies 43416 februari 2018

Advies 434

> Meervoudig onderhandse procedure voor een overheidsopdracht voor diensten betreffende het digitaal ontsluiten van Bouw- en Hinderwetvergunningen voor medewerkers en inwoners van beklaagde. het Programma van Eisen bevat eis 4.6.2 die onder meer omvat: '[...] Het Plan van Aanpak bevat niet meer dan 10 pagina's A4. Indien niet wordt voldaan aan bovenstaande voorwaarden leidt dit tot directe uitsluiting van verdere deelname aan de aanbestedingsprocedure.' Klager heeft een Plan van Aanpak ingediend van meer dan 10 pagina's. De klacht omvat vijf onderdelen: De door beklaagde gehanteerde eis in paragraaf 4.6.2 van het Programma van Eisen is disproportioneel en niet transparant; De uitsluiting van klager is onredelijk en disproportioneel; Beklaagde heeft klager ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld haar inschrijving te herstellen; Beklaagde handelt in strijd met de beginselen an transparantie en gelijke behandeling door af te wijken van paragraaf 4.2 van het Programma van Eisen waarin is bepaald dat tijdens de schouw niet wordt ingegaan op vragen; en Beklaagde heeft klager ten onrechte geen kostenvergoeding aangeboden. Klachtonderdelen 1, 2 en 3: De Commissie volgt klager in haar stelling dat de door beklaagde gehanteerde eis in paragraaf 4.6.2 onvoldoende duidelijk is gespecificeerd. Zo worden regelastand, lettertype, lettergrootte en de marges die inschrijvers in acht dienen te nemen bij het opstellen van een Plan van Aanpak niet voorgeschreven. Dat kan er bijvoorbeeld toe leiden dat wanneer twee inschrijvers een Plan van Aanpak indienen met hetzelfde aantal woorden, de ene inschrijver als gevolg van de door hem gekozen tekstopmaak binnen de grens van 10 pagina's A4 weet te blijven, terwijl de andere inschrijver over die grens heen gaat. De Commissie is van oordeel dat de eis in paragraaf 4.6.2 van het Programma van Eisen in dat licht bezien onvoldoende transparant is en tot ongelijke behandeling van dezelfde gevallen kan leiden. Daarmee is klachtonderdeel 1 gegrond voor zover is geklaagd over strijd met het transparantiebeginsel. Nu de eis betreffende het maximum aantal pagina's naar het oordeel van de Commissie onvoldoende transparant is, kan de Commissie niet vaststellen of die eis verband houdt met het voorwerp van de opdracht en daarmee in redelijke verhouding staat. Daarmee komt de Commissie niet meer toe aan de vraag of de eis in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel, zoals gesteld in klachtonderdeel 1. Als gevolg van het ontbreken van voldoende transparantie kan de Commissie evenmin vaststellen of het uitsluiten van de inschrijving van klager, zoals gesteld in klachtonderdeel 2, disproportioneel is en of sprake is van een fout van klager die zich mogelijk leent voor herstel, zoals gesteld in klachtonderdeel 3. Klachtonderdeel 4: Beklaagde heeft bevestigd dat er tijdens de schouw vragen zijn gesteld. Zij heeft daarbij toegegeven dat dit volgens het Programma van Eisen niet was toegestaan. Beklaagde heeft daaraan toegevoegd dat zij dit tijdens de schouw aan de orde heeft gesteld en dat klager daar toen niet op heeft gereageerd. Vervolgens heeft beklaagde de vraag beantwoord in aanwezigheid van alle inschrijvers. Door een of meer vragen te beantwoorden heeft beklaagde naar het oordeel van de Commissie in strijd met haar eigen regels zoals vermeld in paragraaf 4.2 van het Programma van Eisen gehandeld. Daarmee heeft beklaagde bovendien in strijd met de beginselen van gelijke behandeling en transparantie gehandeld. De Commissie acht het klachtonderdeel gegrond. Klachtonderdeel 5: Klager wil van beklaagde een vergoeding ontvangen voor de loonkosten, reiskosten en juridische advieskosten die zij heeft gemaakt als gevolg van de inschrijving, de bezwaarprocedure, de hoorzitting en (het indienen van) de klacht bij de Commissie. Voor de door klager gevorderde (schade)vergoeding is in de Aanbestedingswet 2012 geen grondslag te vinden, nog daargelaten dat in het Programma van Eisen is bepaald dat inschrijvers geen aanspraak kunnen maken op een vergoeding en klager haar stelling ook overigens niet verder heeft onderbouwd. De Commissie acht het klachtonderdeel ongegrond.

Advies 43213 februari 2018

Advies 432

> Europese openbare procedure voor een raamovereenkomst met één ondernemer per perceel voor diensten van inhuur van personeel voor diverse functies op afroep ten behoeve van de afdeling Stadsbeheer van beklaagde. De opdracht is verdeeld in drie percelen. Een inschrijver mag op meerdere percelen inschrijven en meerdere percelen kunnen aan dezelfde inschrijver gegund worden. De klacht luidt als volgt: Beklaagde handelt in strijd met artikel 2.114 Aw 2012 door niet het gunningscriterium beste prijs-kwaliteitverhouding te hanteren en door de keuze voor het gunningscriterium laagste prijs niet deugdelijk te motiveren. Door de gekozen opzet van de aanbestedingsprocedure handelt beklaagde ook in strijd met artikel 1.4, lid 2, Aw 2012. Beklaagde heeft de keuze voor het gunningscriterium van de laagste prijs summier gemotiveerd in paragraaf 5.81. (“Gunningscriterium”) van het Beschrijvend Document. In het antwoord op vraag 4 van de Nota van inlichtingen van 13 juni 2017 heeft beklaagde deze motivering nog kort toegelicht. Beklaagde voert aan dat alle voor de dienstverlening van belang zijnde eisen zijn vervat in het Programma van Eisen. Indien een inschrijver daaraan voldoet is de kwaliteit naar de mening van beklaagde voldoende vastgesteld en geborgd. Meer onderscheidend vermogen acht beklaagde niet nodig om de doelstelling van de aanbesteding te realiseren. In het Programma van Eisen zijn eisen opgenomen betreffende de dienstverlening door de opdrachtnemer, terwijl in de functiebeschrijvingen de eisen zijn opgenomen voor het in te huren personeel. Uit antwoorden op vragen in de Nota van inlichtingen blijkt dat de uitzendkrachten hun werkzaamheden onder leiding en toezicht van beklaagde zullen verrichten en dat de inwerktijd ook tot de werktijd behoort. Klager is van mening dat beklaagde bij Perceel 1, gezien het voorwerp van de opdracht: inhuur van laaggeschoold personeel bestaande uit chauffeurs, beladers en reinigingsmedewerkers, diverse kwaliteitsaspecten had kunnen meewegen en dat beklaagde dit ten onrechte achterwege heeft gelaten. Volgens klager gaat het om zwaar en ondankbaar werk en een bijzondere categorie uitzendkrachten waarvoor geldt dat zowel de werving en selectie van geschikte kandidaten als de inzet en begeleiding van kandidaten speciale kennis en aandacht vereisen. Klager benadrukt in dat kader dat het minder kansrijke groepen in de samenleving betreft. Doordat beklaagde door middel van deze aanbesteding over een flexibele schil aan uitzendkrachten beoogt te beschikken, zodat op piekmomenten en bij (onverwachte) uitval extra capaciteit kan worden ingezet, zullen de uitzendkrachten niet verzekerd zijn van een vast aantal uren werk per week of per maand bij beklaagde. Om ervoor te zorgen dat deze uitzendkrachten toch genoeg uren kunnen werken om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien en de kwaliteit en continuïteit van de dienstverlening te waarborgen, meent klager dat de duurzame inzet van uitzendkrachten bij de gunning een rol zou moeten spelen. Ook dit is een aspect van duurzaamheid waar artikel 2.114 Aw 2012 volgens klager op ziet. Daarbij denkt klager aan aspecten zoals opleiding en begeleiding van het personeel en het vergroten van de inzetbaarheid door middel van instroom-, doorstroom- en uitstroombeleid. Volgens klager zouden het begeleiden, binden en ontwikkelen van het in te zetten personeel een rol moeten spelen bij dit soort aanbestedingen. In dat kader acht klager van belang hoe wordt omgegaan met zaken als ziekte, het herhaaldelijk te laat komen, het afleveren van kwalitatief goed werk, integriteitscontroles, vaccinatieprogramma’s (i.v.m. mogelijkheid geprikt te worden door een naald bij inzamelen huisvuil), het leren aannemen van een juiste houding op straat (bijvoorbeeld geen geld aannemen), omgaan met agressie op straat en gezondheidsaspecten (veilig tillen). Klager stelt zich op het standpunt dat beklaagde op deze wijze zeer goedkope dienstverlening van lage kwaliteit inkoopt, hetgeen in strijd is met art. 1.4, lid 2, Aw 2012. Met de toepassing van het gunningscriterium beste prijs-kwaliteitverhouding zou volgens klager namelijk veel meer maatschappelijke waarde voor de publieke middelen kunnen worden geleverd. In dat kader wijst klager ook op het risico van voortijdige uitstroom, in welk geval beklaagde een aanvraag voor een bijstandsuitkering van het desbetreffende personeel tegemoet kan zien. Naar het oordeel van de Commissie betreffen de door klager aangevoerde aspecten geen kwalitatieve aspecten die in het kader van de onderhavige aanbestedingsprocedure een rol zouden kunnen spelen, aangezien de uitzendkrachten onder leiding en toezicht van beklaagde zullen staan en deze aspecten dus niet tot het takenpakket van de opdrachtnemer zullen behoren. Klager heeft ook aangegeven dat het in de onderhavige aanbestedingsprocedure mogelijk zou zijn om de duurzame inzetbaarheid van het uitzendpersoneel als kwaliteitsaspect mee te wegen ten behoeve van een meer duurzaam resultaat. Uit de motivering voor de keuze voor het gunningscriterium van de laagste prijs blijkt echter niet dat beklaagde rekening heeft gehouden met alle omstandigheden van het geval en ook niet waarom het meewegen van het kwalitatieve aspect van de duurzame inzetbaarheid van het uitzendpersoneel ondoelmatig zou zijn. Beklaagde heeft slechts aangegeven dat alle voor de dienstverlening van belang zijnde eisen zijn vervat in het Programma van Eisen. In eisen betreffende de duurzame inzetbaarheid van het uitzendpersoneel voorziet het Programma van Eisen echter niet. Evenmin heeft beklaagde aangegeven dat het meewegen van dit kwalitatieve aspect niet mogelijk is binnen het budget dat zij voor deze opdracht beschikbaar heeft. In dat licht heeft beklaagde de keuze voor het gunningscriterium van de laagste prijs op grond van artikel 2.114, lid 4, Aw 2012 naar het oordeel van de Commissie onvoldoende gemotiveerd en is de klacht in zoverre gegrond. Voor zover wordt geklaagd dat beklaagde met deze aanbestedingsprocedure niet zoveel mogelijk maatschappelijke waarde voor de publieke middelen in de zin van artikel 1.4, lid 2, Aw 2012 realiseert, slaagt de klacht naar het oordeel van de Commissie eveneens. Nu klager de klacht naar het oordeel van de Commissie voldoende heeft onderbouwd heeft beklaagde onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij niet aan haar zorgplicht van artikel 1.4, lid 2, Aw 2012 heeft voldaan. Daarmee kan niet worden aangenomen dat beklaagde met deze aanbestedingsprocedure zoveel mogelijk maatschappelijke waarde voor de publieke middelen realiseert in die zin dat de best mogelijke prijs-kwaliteitverhouding wordt gerealiseerd voor het beschikbare budget. Daarmee is overigens niet gezegd dat het gunningscriterium van de beste prijs-kwaliteitverhouding zou moeten worden gehanteerd. In bepaalde gevallen zal immers verwacht mogen worden dat een aanbestedingsprocedure met het gunningscriterium van de laagste prijs juist in de meeste maatschappelijke waarde voor de publieke middelen resulteert. Daarmee is de klacht naar het oordeel van de Commissie gegrond.

Advies 43118 februari 2018Klacht ongegrond

Advies 431

> Beklaagde heeft in het voorjaar van 2006 een Europese aanbestedingsprocedure gehouden voor een overheidsopdracht voor architectendiensten bestaande uit het ontwerpen van nieuwe gebouwen (waaronder een gebouw voor X), het opstellen van een visie op het totale gebouwencomplex van beklaagde en het opstellen van een masterplan voor het omliggende terrein van dat complex. Klager heeft in het kader van deze aanbestedingsprocedure destijds de winnende inschrijving ingediend. Beklaagde en klager hebben vervolgens in het voorjaar van 2007 een overeenkomst met elkaar gesloten. Op deze overeenkomst is De Nieuwe Regeling (DNR) 2005 van toepassing verklaard. Op basis van deze overeenkomst heeft beklaagde vanaf 2007 gedurende een aantal jaren deelopdrachten aan klager verstrekt. Op 18 juni 2017 heeft de advocaat van klager namens klager ingestemd met een schikkingsvoorstel, waarbij de opdracht van klager voortijdig wordt beëindigd en klager een financiële compensatie ontvangt. Beklaagde heeft op 19 juli 2017 een aanbestedingsprocedure uitgeschreven voor een overheidsopdracht die volgens klager nagenoeg gelijk is aan de opdracht die beklaagde in 2007 aan kalger heeft gegund. Daarmee handelt beklaagde volgens klager in strijd met de Aanbestedingswet 2012, aangezien beklaagde heeft nagelaten - alvorens tot heraanbesteding over te gaan - de opdracht eerst wezenlijk te wijzigen. Alvorens tot een beoordeling van de klacht over te gaan, stelt de Commissie het volgende vast. Beklaagde en klager hebben in 2007 - als resultaat van een daaraan voorafgaande Europese aanbestedingsprocedure - een overeenkomst met elkaar gesloten. In dat kader zijn zij de toepasselijkheid van de DNR 2005 met elkaar overeengekomen. Partijen zijn het er over eens dat beklaagde gebruik heeft gemaakt van haar opgrond van artikel 24 DNR 2005 bestaande bevoegdheid om de overeenkomst met klager eenzijdig en zonder grond op te zeggen. Voor de behandeling van de klacht is het precieze moment waarop beklaagde de overeenkomst heeft opgezegd verder niet relevant. Partijen zijn het er voorts over eens dat de civielrechtelijke rechtsgevolgen van de uitoefening door beklaagde van haar bevoegdheid tot opzegging worden bepaald door artikel 33 DNR 2005, dat onder andere voorziet in een betalingsverplichting van de opdrachtgever jegens de adviseur. Vast staat dat beklaagde zich bereid heeft verklaard deze betalingsverplichting jegens klager na te komen en dat klager zich akkoord heeft verklaard met het in dat kader door beklaagde voorgestelde bedrag. Daarmee komt de Commissie toe aan de beoordeling van de klacht. In dat kader overweegt zij het volgende. Vooropgesteld dient te worden dat een geval als het onderhavige afwijkt van het geval waarin een aanbestedende dienst nog tijdens de aanbestedingsprocedure besluit om die procedure af te breken en de opdracht opnieuw aan te besteden. In het laatstbedoelde geval zal die heraanbesteding - onder omstandigheden - aanbestedingsrechtelijk kunnen worden geproblematiseerd wanneer de aanbestedende dienst nalaat de opdracht wezenlijk te wijzigen, alvorens deze opnieuw door middel van een aanbestedingsprocedure in de markt te zetten. In deze zaak doet dat hiervoor bedoelde geval zich echter niet voor. Wat in deze zaak immers gebeurt, is dat de aanbestedende dienst eerst na afloop van de aanbestedingsprocedure en nadat de uit die procedure resulterende overeenkomst tot stand is gekomen, gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot opzeggin van die overeenkomst, waarbij de grondslag van die bevoegdheid niet alleen in de overeenkomst (zie artikel 24 DNR 2005) maar ook in de wet is verankerd (zie artikel 7:408, lid 1, BW). Voor zover klager met haar klacht betoogt dat een aanbestedende dienst in een geval als het onderhavige in de uitoefening van diens bevoegdheid tot opzegging zou worden beperkt door de Aanbestedingswet 2012 of door enige andere regel van aanbestedingsrecht, die zou inhouden dat een aanbestedende dienst een opdracht - na opzegging daarvan - alleen opnieuw kan aanbesteden na wezenlijke wijziging daarvan, kan de Commissie klager daarin niet volgen. Met dat betoog gaat klager namelijk voorbij aan het volgende. In het hiervoor bedoelde geval, waarin een aanbestedende dienst besluit de aanbestedingsprocedure in te trekken, om vervolgens de opdracht opnieuw aan te besteden, zal het belang van de inschrijver die op grond van het verloop van de ingetrokken procedure aanspraak meent te kunnen maken op de opdracht - namelijk: het belang van het verwerven van die opdracht en het daarmee verband houdende positieve contractsbelang - kunnen worden beschermd met een beroep op de regel dat heraanbesteding van nagenoeg dezelfde opdracht in beginsel niet toelaatbaar is. In een geval als het onderhavige wordt het hiervoor genoemde belang echter niet geschonden: de opdrachtnemer die wordt geconfronteerd met een opdrachtgever die zijn bevoegdheid tot opzegging van de tussen partijen gesloten overeenkomst op enig moment uitoefent, behoudt immers zijn aanspraak op het positieve contractsbelang dat de inzet was van de aanbestedingsprocedure die aan de totstandkoming van de opgezegde overeenkomst vooraf is gegaan: opzegging van de overeenkomst verplicht de opdrachtgever immers tot betaling van 10% van het resterende deel van de advieskosten die de opdrachtgever verschuldigd zou zijn bij de volledige vervulling van de opdracht (zie artikel 33 lid 2 DNR 2005). Gelet op het voorgaande kan verder in het midden blijven of beklaagde de in 2007 aan klager gegunde opdracht al dan niet wezenlijk heeft gewijzigd, alvorens deze op 19 juli 2017 - na opzegging van de met klager gesloten overeenkomst - opnieuw door middel van een Europese aanbestedingsprocedure in de markt te zetten. Uit het voorgaande volgt immers dat de Commissie van oordeel is dat noch de Aanbestedingswet 2012, noch enige andere regel van aanbestedingsrecht, in een geval als het onderhavige in de weg staan aan de op 19 juli 2017 door beklaagde aangekondigde aanbestedingsprocedure, ongeacht of het object van die procedure wezenlijk verschilt van het object van de in 2006 en 2007 gevolgde procedure. Het voorgaande betekent dat de klacht ongegrond is.

Advies 43029 januari 2018

Advies 430

> Europese openbare procedure voor een overheidsopdracht voor de levering van minicontainers en chips inclusief bijbehorende dienstverlening. Geklaagd wordt over het voorschrijven van het Duitse keurmerk RAL GZ 951/1, wat in strijd zou zijn met artikel 34 VWE, disproportioneel zou zijn en in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De Commissie overweegt in de eerste plaats dat voor zover de klacht ziet op een schending van art. 34 VWEU bestaande uit een handelen of nalaten buiten de werkingssfeer van de Aanbestedingswet 2012, de Commissie het onderdeel op basis van artikel 1 van haar Reglement niet in behandeling kan nemen. Uitgangspunt is vervolgens dat een aanbestedende dienst in beginsel vrij is te bepalen wat hij wil inkopen. Daarbij zal hij zoveel mogelijk moeten aansluiten bij de in de markt gehanteerde standaarden of zijn eisen functioneel moeten specificeren (zie artikel 2.76, lid 1 Aw 2012). In beginsel kan een aanbestedende dienst ook een keurmerk verlangen (zie artikel 2.78a Aw 2012 dat is gebaseerd op artikel 43 van Richtlijn 2014/24/EU). Op grond van de door beklaagde overgelegde brochure van RAL Gütezeichen van mei 2014 heeft de Commissie de indruk dat voor de RAL GZ 951/1 wordt voldaan aan de vereisten van artikel 2.78a, lid 1, sub c, d en e Aw 2012. In dit kader heeft klager onvoldoende aangevoerd om tot een gegrondverklaring op dit punt te kunnen komen. Naar het oordeel van de Commissie voldoet de keurmerkeis van de ‘Initial testing’ of ‘Erstprüfung’ (zie het document Comparison EN 840 - RAL GZ 951/1, zie 1.12 hiervoor), op grond waarvan de mal vóór de start van de productie moet worden getest, niet aan het vereiste van artikel 2.78a, lid 1, sub a, Aw 2012. Deze eis houdt onvoldoende verband met het voorwerp van de opdracht omdat daarmee producten die niet vóór de start van de productie zijn getest maar wel aan alle kwaliteitseisen voldoen, worden geblokkeerd. In zoverre is klachtonderdeel 2 gegrond. Voor zover in klachtonderdeel 3 wordt geklaagd dat voor de eis van certificering voor Geprüfte Sicherheit (GS) uit de RAL GZ 951/1 geen mogelijkheid wordt geboden gelijkwaardig bewijs aan te bieden, is klachtonderdeel 3 naar het oordeel van de Commissie ongegrond. Nu voor het voldoen aan de eisen van de RAL GZ 951/1 gelijkwaardig bewijs mag worden geboden, geldt dat ook voor de normeringen die de RAL GZ 951/1 voorschrijft. Voor zover binnen de RAL GZ 951/1 wordt verwezen naar andere keurmerken of normen, zullen deze ook aan de vereisten van artikelen 2.76 en 2.78a, lid 1 Aw 2012 moeten voldoen. Klager heeft echter onvoldoende onderbouwd dat de eisen betreffende GS, CE en de Franse norm in strijd zijn met artikel 2.76 en 78a, lid 1 Aw 2012. In zoverre zijn de klachtonderdelen 2 en 3 dan ook ongegrond. Voor zover in klachtonderdeel 3 overigens wordt geklaagd dat in strijd wordt ge-handeld met de Europese regelgeving betreffende CE aanduiding kan de Commissie de klacht op grond van artikel 1 van haar Reglement niet in behandeling nemen. Ten slotte wordt geklaagd over het vereiste dat de certificaten niet ouder mogen zijn dan 12 maanden, waardoor de ondernemers steeds weer op kosten worden gejaagd. Beklaagde heeft aangegeven juist belang te hechten aan de (onaangekondigde) kwaliteitscontroles omdat daarmee wordt voorkomen dat voor de controles andere containers worden ingebracht dan uiteindelijk worden geleverd en de kwaliteit van de containers voor beklaagde belangrijk is omdat het de bedoeling is dat de containers een groot aantal jaren in de openbare ruimte kunnen worden gebruikt. Tijdens de hoorzitting van het klachtenmeldpunt heeft klager gesteld dat een (Tüv-)certificaat (veel) langer dan een jaar mee zou moeten kunnen indien de matrijs (mal) weinig is gebruikt. Nu het aanbestedende diensten echter niet bekend is of een matrijs veel of weinig is gebruikt, komt het vereiste dat de certificaten niet ouder mogen zijn dan 12 maanden de Commissie op basis van de haar beschikbare informatie niet disproportio-neel voor. In zoverre zijn de klachtonderdelen 2 en 3 dan ook ongegrond.

Advies 42828 februari 2018

Advies 428

> Beklaagde heeft een Europese openbare procedure aangekondigd voor een raamovereenkomst voor diensten voor het inhuren van materieel ten behoeve van ‘grondbank activiteiten’. Beklaagde hanteert een zogenoemd RAW-bestek en heeft het ARW 2012 op deze aanbestedingsprocedure van toepassing verklaard. Beklaagde heeft de aanbesteding voortijdig gestaakt en onderhands een tijdelijke overbruggingsovereenkomst gesloten. De klacht omvat vier onderdelen.

Advies 42710 november 2017

Advies 427

> Europese openbare procedure voor diensten voor het coördineren en het uitvoeren van de gladheidbestrijding. Het ARW 2016 is van toepassing verklaard. Volgens het Inschrijvingsdocument dient de winnende inschrijver na voorlopige gunning in de onderbouwingsfase binnen een bepaalde termijn Bijlage 1 met vermelding van alle in te zetten tracties (met kenteken) en onderaannemers in te dienen. Klager stelt dat de winnende inschrijver X een onderaannemer van klager heeft opgegeven in Bijlage 1, terwijl die onderaannemer niet verklaard heeft bereid te zijn het werk in onderaanneming van X uit te voeren. Volgens klager had X om die reden uitgesloten dienen te worden en zou met klager de onderbouwingsfase uitgevoerd moeten worden. De Commissie is van oordeel dat voor alle redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijvers op grond van paragraaf 2.1 van het Inschrijvingsdocument duidelijk moet zijn geweest dat zij Bijlage 1 - anders dan klager lijkt te veronderstellen - niet reeds bij hun inschrijvingen moesten indienen. Uit het Inschrijvingsdocument blijkt dat de beoogd opdrachtnemer Bijlage 1 uiterlijk aan het einde van de onderbouwingsfase op 23 mei 2017 moest indienen. Ook kan uit het Inschrijvingsdocument worden afgeleid dat uit het ingeidende document moest blijken dat het document voldeed aan de daaraan gestelde eisen en dat de inschrijving van de beoogd opdrachtnemer voldeed aan de eisen van de overeenkomst. Naar het oordeel van de Commissie kan dit niet anders worden begrepen dan dat de beoogd opdrachtnemer met het indienen van Bijlage 1 dient te verklaren dat hij tijdens de uitvoering van de opdracht de beschikking zal hebben over de in de bijlage door hem vermelde concrete tracties (met kenteken) en onderaannemers die hij per object van beklaagde voornemens is in te zetten om de gladheidsbestrijding uit te kunnen voeren. Dit oordeel wordt nog eens versterkt doordat beklaagde na ontvangst van Bijlage 1 kennelijk om intentieverklaringen van de opgegeven onderaannemers aan X heeft gevraagd. Het doel van een dergelijke intentieverklaring kan niet anders zijn dan zekerheid te verkrijgen dat de genoemde onderaannemers hun tracties ter beschikking zullen stellen. Tussen partijen staat niet ter discussie dat X Bijlage 1 tijdig bij beklaagde heeft ingediend en dat X in die bijlage de kentekens en namen van onderaannemers heeft ingevuld. Vervolgens heeft beklaagde in het kader van de verificatie aan X verzocht om schriftelijke intentieverklaringen van de door haar beoogde onderaannemers, om zekerheid te verkrijgen dat voldoende tracties inzetbaar zouden zijn. Uiteindelijk is gebleken dat een onderaannemer geen intentieverklaring wenste te ondertekenen. Dat betekent dat - anders dan werd geëist - uit de ingediende Bijlage 1 op dat moment niet bleek dat de inschrijving van X voldeed aan de eisen van de overeenkomst. Uit het Inschrijvingsdocument volgt dat de inschrijving van X in een dergelijk geval als ongeldig ter zijde kan worden gelegd. In deze bepaling ligt een bevoegdheid besloten die beklaagde aldus heeft uitgeoefend dat zij X in de gelegenheid heeft gesteld tot het afleggen van aanvullende verklaringen. Uit de door X afgelegde verklaringen bleek vervolgens dat X - anders dan zij in de door haar ingediende Bijlage 1 had aangeboden - de door beklaagde geëiste tracties deels niet meer door middel van inschakeling van onderaannemers maar door middel van inzet van (eigen) voertuigen beschikbaar wilde stellen. Uit de jurisprudentie blijkt dat wanneer een inschrijver zijn inschrijving heeft ingediend, hij deze inschrijving in beginsel niet meer mag aanpassen op initiatief van de aanbestedende dienst of van de inschrijver zelf. De verplichting van een aanbestedende dienst om inschrijvers op gelijke en niet-discriminerende wijze te behandelen (zie ook artikel 1.8 Aw 2012) en de hieruit voortvloeiende transparantieverplichting (zie artikel 1.9, eerste lid, Aw 2012) verzetten zich daartegen. Dit zou anders zijn wanneer het ging om een eenvoudige precisering of rechtzetting van een kennelijke materiële fout. De Commissie is van oordeel dat de door X afgelegde aanvullende verklaring geen klaarblijkelijke eenvoudige precisering of rechtzetting van een kennelijke materiële fout betrof, maar een wijziging die leidde tot een nieuwe inschrijving. Dat betekent dat beklaagde de inschrijving van X, anders dan zij heeft gedaan, als ongeldig terzijde had moeten leggen toen bleek dat X voornemens was de tracties op een andere wijze beschikbaar te stellen dan zij in Bijlage 1 had aangeboden. De klacht wordt derhalve gegrond verklaard. [Zie ook: Vzr.Rb. Den Haag 18 oktober 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:12739 voor een vergelijkbare zaak met een andere uitkomst.]

Advies 42627 oktober 2017

Advies 426

> Het betreft een Europese openbare procedure voor WMO-vervoer, leerlingenvervoer, participatiewetvervoer en lokaal vervoer, plus vervoer dat over aangewezen regiogrenzen heengaat. De opdracht is verdeeld in zeven percelen waarbij inschrijvers kunnen inschrijven op alle percelen, maar waarbij een maximum geldt van drie percelen die een inschrijver gegund kan krijgen. De klacht omvat 9 onderdelen.

Advies 42527 oktober 2017

Advies 425

> Europese niet-openbare aanbestedingsprocedure voor een overheidsopdracht voor werken inzake de realisatie van twee verenigingsgebouwen, de aanleg van sportvelden en de terreininrichting van een sportpark. Geklaagde wordt dat de mededeling van de gunningsbeslissing onvoldoende gemotiveerd is. Uit de mededeling van de gunningsbeslissing blijkt volgens klager dat beklaagde weliswaar een onderbouwing heeft gegeven van de fictieve aftrek voor de inschrijving van Y, maar dat voor de inschrijving van de winnende inschrijver X slechts het totaal van de fictieve aftrek kenbaar is gemaakt. Op grond van artikel 7 lid 1 sub a van het Reglement van de Commissie kan een klacht bij de Commissie worden ingediend door ondernemers die een opdracht willen verwerven. Deze bepaling noemt als voorbeelden (potentiële) gegadigden, (potentiële) inschrijvers en ook onderaannemers van (potentiële) inschrijvers. De Commissie is van oordeel dat deze bepaling ruim moet worden uitgelegd in die zin dat niet alleen onderaannemers maar alle 'onderopdrachtnemers' van (potentiële) gegadigden of inschrijvers een klacht mogen indienen bij de Commissie. Nu klager een onderaannemer is van een (potentiële) inschrijver en bovendien het voornemen bestond dat zij een significant deel van de opdracht zou uitvoeren indien Y de winnende inschrijving zou indienen, is het naar het oordeel van de Commissie niet relevant dat Y heeft berust in de gunningsbeslissing en de motivering daarvan door beklaagde. Waar het om gaat is dat klager, nu zij een belang heeft gehad bij de onderhavige aanbesteding, het handelen of nalaten van beklaagde in een klachtprocedure bij de Commmissie ter discussie moet kunnen stellen, ook als mocht blijken dat klager ter zake van datzelfde handelen of nalaten niet ontvankelijk zou zijn in haar vorderingen bij de gewone rechter. De Commissie heeft in haar Adviezen 30, 78, 86, 138, 244, 326 en 389 overwogen dat aan de in artikel 2.130, eerste en tweede lid, Aw 2012 genoemde motiveringsverplichting niet is voldaan wanneer de aanbestedende dienst slechts een matrix met de scores bekend maakt, zonder enige toelichting op de wijze waarop die scores tot stand zijn gekomen. Een aanbestedende dienst handelt bovendien in strijd met die verplichting wanneer hij niet duidelijk maakt wat de kenmerken en voordelen van de inschrijving van de winnende inschrijver zijn (zie Advies 280). Waar het in de kern om gaat, is of beklaagde aan de hiervoor bedoelde motiveringsverplichting heeft voldaan met de verzending aan Y van de mededeling van de gunningsbeslissing van 2 juni 2017. beklaagde heeft daarin de scores van Y bekendgemaakt, maar niet de scores van de winnende inschrijver X. Evenmin is aangegeven wat de kenmerken en relatieve voordelen van de winnende inschrijving zijn. Naar het oordeel van de Commissie heeft beklaagde met de brief van 2 juni 2017 dan ook niet aan haar motiveringsverplichting van artikel 2.130, eerste en tweede lid, Aw 2012 voldaan. Daarmee is het klachtonderdeel gegrond.

Advies 42427 februari 2018Klacht ongegrond

Advies 424

> Beklaagde heeft mede namens vier andere organisaties een Europese openbare procedure aangekondigd voor raamovereenkomsten met één ondernemer respectievelijk met meerdere ondernemers voor de opslag, distributie en levering van laboratoriumchemicaliën en laboratorium-disposables verdeeld over zes percelen. De klacht betreft percelen 1, 3 en 4. Beklaagde heeft onderscheid gemaakt tussen producten van categorie A, B respectievelijk C. De Commissie begrijpt de klacht aldus dat beklaagde in strijd handelt met artikel 2.76, lid 3 en 4, Aw 2012 door voor zogenoemde B-categorie producten een bepaald merk of gelijkwaardig voor te schrijven, waarbij de gelijkwaardigheid door inschrijver moet worden aangetoond, en voor de zogenoemde A-categorie producten een bepaald merk voor te schrijven zonder aan inschrijvers de mogelijkheid te bieden om met een gelijkwaardig product in te schrijven. Naar het oordeel van de Commissie heeft beklaagde voldoende aannemelijk gemaakt dat verwijzing naar bepaalde merken door het voorwerp van de overheidsopdracht gerechtvaardigd is in de zin van artikel 2.76, lid 3, Aw 2012. Dat geldt zowel voor de zogenoemde A-categorie producten, als de B-categorie producten. In dat kader heeft beklaagde aangevoerd de in te kopen producten te gaan gebruiken voor onderzoek. Aannemelijk is geworden dat wisseling van een van deze producten kan leiden tot een trendbreuk in de resultaten van het onderzoek van (de opdrachtgevers van) beklaagde, hetgeen kan leiden tot een grotere onzekerheidsmarge in de resultaten van het onderzoek. Bij onderzoek naar de kwaliteit van oppervlaktewater kan dit, onder meer, gevolgen hebben voor de handhaving van lozingsvergunningen, waardoor minder snel een boete kan worden opgelegd. Dit kan leiden tot een grotere vervuiling van het oppervlaktewater en een verstoring van de werking van waterzuiveringsinstallaties. Daarmee kan een wijziging van een van deze producten negatieve gevolgen hebben voor de volksgezondheid en het milieu. Het voorgaande kan naar het oordeel van de Commissie op grond van artikel 2.76, lid 3, Aw 2012 rechtvaardigen dat beklaagde naar bepaalde merkproducten vraagt, waarmee beklaagde vooralsnog haar onderzoeken uitvoert. Op deze wijze tracht beklaagde een trendbreuk en een daaruit voortvloeiende toename van de onzekerheidsmarge in haar onderzoeksresultaten te voorkomen. Om te mogen verwijzen naar een bepaald merk, moet op grond van artikel 2.76, lid 4, Aw 2012 echter aan twee bijkomende voorwaarden worden voldaan. Naar het oordeel van de Commissie is aan de eerste voorwaarde van artikel 2.76, lid 4, sub a, Aw 2012 voldaan, doordat het in dit geval niet mogelijk is een voldoende nauwkeurige en begrijpelijke omschrijving van het voorwerp van de overheidsopdracht te geven door toepassing van artikel 2.76, lid 1, Aw 2012. Het is immers niet mogelijk door middel van een verwijzing naar standaarden of een functionele omschrijving een product uit de A- of B-categorie te omschrijven dat gegarandeerd geen trendbreuk zal opleveren. Het huidige product of een ander product zou immers onbekende eigenschappen kunnen hebben, die het onderzoeksresultaat beïnvloeden. Dat geldt niet alleen voor de chemicaliën (perceel 1), maar ook voor de disposables (perceel 3) en de filters (perceel 4). Nu voor de B-categorie producten eveneens is voldaan aan de tweede voorwaarde van artikel 2.76, lid 4, sub b, Aw 2012 dat de woorden 'of gelijkwaardig' in de productomschrijving zijn opgenomen, is de klacht ongegrond voor zover deze ziet op de B-categorie producten. Ten overvloede merkt de Commissie nog op dat beklaagde aan de mogelijkheid gelijkwaardige B-categorie producten aan te bieden naar het oordeel van de Commissie de voorwaarde mag verbinden dat deze producten na de voorlopige gunning gedurende 8 weken een validatieproces bij (de opdrachtgevers van) beklaagde moeten doorlopen en dat daarin wordt vastgesteld dat deze producten daadwerkelijk gelijk zijn voor beklaagde, in die zin dat deze producten geen trendbreuk in de onderzoeksresultaten veroorzaken. zonder een dergelijk onderzoek bij (de opdrachtgevers van) beklaagde kan immers niet worden aangetoond dat een product gelijkwaardig is voor het doel waarvoor het is bestemd. Ook acht de Commissie het gerechtvaardigd dat de opdrachtnemer zal moeten delen in de validatiekosten in die zin dat hij zijn product gratis ter beschikking moet stellen voor het validatieonderzoek. Het is immers aan de inschrijver om aan te tonen dat zijn product gelijkwaardig is. Met het oog op de kosten voor de inschrijver zal beklaagde niet meer onderzoeken mogen doen dan noodzakelijk om de gelijkwaardigheid van de producten vast te stellen. Voor de A-categorie producten zijn niet de woorden 'of gelijkwaardig' in de productomschrijving opgenomen, zodat voor deze producten niet is voldaan aan de tweede voorwaarde van artikel 2.76, lid 4, sub b, Aw 2012. De Aanbestedingswet 2012 biedt naar het oordeel van de Commissie geen mogelijkheid om artikel 2.76, lid 3, Aw 2012 toe te passen, zonder dat aan de voorwaarde van artikel 2.76, lid 4, sub b, Aw 2012 wordt voldaan. Daarmee handelt beklaagde in strijd met artikel 2.76 Aw 2012 en is de klacht in zoverre gegrond. Verder merkt de Commissie nog ten overvloede op dat de verplichting om bij A-categorie producten 'of gelijkwaardig' te vermelden naar haar oordeel niet met zich meebrengt dat beklaagde ook zelf alle onderzoekskosten moet dragen. Voor zover de kosten noodzakelijk zijn om de gelijkwaardigheid van een product voor het beoogde doel vast te stellen, komen deze in beginsel immers voor rekening van de inschrijver, aangezien hij de gelijkwaardigheid van zijn product moet aantonen. De Commissie is echter van oordeel dat het voorgaande onverlet laat dat beklaagde vooraf in de aanbestedingsstukken zal moeten aangeven (i) dat het onderzoek naar de gelijkwaardigheid bij en door beklaagde zal worden uitgevoerd; (ii) wat de aard, inhoud en omvang van het onderzoek is; (iii) welk deel van het onderzoek, wat de kosten daarvan betreft, voor rekening komt van de inschrijver en (iv) wat de omvang is van die kosten, voorzien van een onderbouwing. In dat kader merkt de Commissie op dat beklaagde het aantal noodzakelijke onderzoeken in de procedure bij de Commissie aan de hoge kant heeft ingeschat. Tevens heeft zij in de procedure bij de Commissie zowel kosten voor validatieonderzoek als kosten voor trendbreukonderzoek opgevoerd, terwijl zij heeft nagelaten de aanzienlijke post voor trendbreukonderzoek te onderbouwen. De Commissie acht de klacht ongegrond voor zover die de B-categorie producten betreft en gegrond voor zover die de A-categorie producten betreft.

Advies 42329 september 2017

Advies 423

> Meervoudig onderhandse aanbesteding voor een raamovereenkomst met één onderneming voor de levering van mantelzorgwaarderingspassen. Er zijn twee klachtonderdelen: De beoordelings- en gunningssystematiek, zoals die in de Offerte-aanvraag is bekendgemaakt, voldoet niet aan de eisen die op grond van de beginselen van gelijke behandeling en transparantie daaraan kunnen worden gesteld; en Beklaagde heeft gehandeld in strijd met het transparantiebeginsel door na het uitstellen van de mededeling van de gunningsbeslissing geen verificatievragen aan klager te stellen. De Commissie overweegt dat volgens bestaande jurisprudentie van een (potentiële) gegadigde of inschrijver een proactieve houding mag worden verwacht. Dit houdt in dat een inschrijver – mogelijke – inbreuken op het op de aanbestedingsprocedure van toepassing zijnde recht bij de aanbesteder dient te signaleren zodra hij die redelijkerwijze behoort op te merken. De ratio daarvan is dat de aanbesteder daarmee mogelijk in staat wordt gesteld (de gevolgen van) die inbreuk ongedaan te maken in een stadium waarin de nadelige gevolgen daarvan voor alle betrokken partijen zoveel mogelijk beperkt kunnen blijven. Door pas op 22 juni 2017 een klacht bij beklaagde in te dienen, heeft klager voormelde verplichting niet nageleefd. Om die reden wordt het eerste klachtonderdeel ongegrond verklaard. Vervolgens gaat de Commissie ten overvloede in op het eerste klachtonderdeel. De Commissie overweegt dat, hoewel de Aanbestedingswet voor de meervoudig onderhandse procedure weinig regels stelt, de vrijheid die aanbestedende diensten hebben bij de voorbereiding, inrichting en afwikkeling van een meervoudig onderhandse procedure slechts betrekkelijk is. Zij dienen op grond van de artikelen 1.15 en 1.16 Aw 2012 immers de beginselen van gelijke behandeling, transparantie en proportionaliteit in acht te nemen. Wanneer aanbestedende diensten kiezen voor een meervoudig onderhandse procedure, zullen zij deze beginselen moeten vertalen in concrete gedragsnormen. Bij gebrek aan concrete gedragsnormen in de geldende wet- en regelgeving, wordt in de jurisprudentie van de gewone rechter en in de adviezen van de Commissie voor wat betreft de invulling en uitwerking van deze gedragsnormen in toenemende mate aansluiting gezocht bij de regels die gelden voor Europese aanbestedingsprocedures (zie ook de aanbeveling onderaan Advies 417). In de Offerte-aanvraag is bepaald dat de beoordeling van de offertes integraal zal plaatsvinden waarbij primair gekeken zal worden naar de kwaliteit, maar dat de prijs niet onbelangrijk is. Onbekend is echter welke score (bijvoorbeeld welk aantal punten of welke waardering) behaald kan worden voor het onderdeel kwaliteit respectievelijk prijs of welke weging er voor beide gunningscriteria wordt gehanteerd. In de mededeling van de gunningsbeslissing worden de termen ‘matig’, ‘voldoende’, ‘goed’ en ‘zeer goed’ gehanteerd als toe te kennen kwalificaties. Hoewel beklaagde bij de keuze van gunningscriteria, subcriteria en wegingsfactoren een ruime beoordelingsvrijheid heeft, dient zij de weging van die termen wel vooraf in de aanbestedingsdocumenten bekend te maken. Door niet vooraf bekend te maken wat de verhouding en weging is tussen de gunningscriteria kwaliteit en prijs, heeft beklaagde naar het oordeel van de Commissie aan de beoordelingscommissie een zeer grote keuzevrijheid gelaten. Beklaagde heeft dat ook overigens gedaan door de mogelijke score voor de subgunningscriteria eveneens in het midden te laten. De Offerte-aanvraag bevat immers geen vooraf bekend gemaakte wijze waarop punten worden toegekend of een beschrijving van de wijze waarop de subgunningscriteria worden gewogen. Het ontbreken van de wijze waarop de gunnings- en subgunningscriteria beoordeeld zullen worden, laat alle ruimte om – willekeurige – scores toe te kennen. Naar het oordeel van de Commissie had beklaagde de verhouding tussen prijs en kwaliteit kenbaar moeten maken, evenals de weging van de subgunningscriteria ten aanzien van kwaliteit. Door dit niet te doen, heeft zij gehandeld in strijd met haar transparantieverplichting. Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel overweegt de Commssie dat wanneer een aanbestedende dienst voorziet in een verificatieprocedure, hij tijdens die procedure niet verplicht is tot het stellen van vragen aan iedere inschrijver. De verplichting tot het stellen van vragen bestaat alleen indien daartoe aanleiding bestaat, bijvoorbeeld omdat er onduidelijkheden zijn ten aanzien van de inschrijving van de betrokken inschrijver. Het voorgaande betekent dat wanneer een aanbestedende dienst geen aanleiding heeft tot het stellen van vragen aan een bepaalde inschrijver en hij die inschrijver om die reden niet (verder) in de verificatieprocedure betrekt, geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Klager lijkt te veronderstellen dat zij een kans mist om de opdracht te winnen doordat zij niet is uitgenodigd voor een verificatiegesprek. Deze veronderstelling is onjuist aangezien een verificatiegesprek enkel tot doel heeft de geldigheid van een inschrijving te verifiëren indien daarover onduidelijkheid bestaat bij de aanbestedende dienst en niet om die inschrijving te verbeteren met het oog op het vergroten van de kans op gunning van de opdracht. Uit de door partijen overgelegde documenten blijkt niet dat er bij beklaagde onduidelijkheid bestond ten aanzien van de inschrijving van klager. Beklaagde heeft dan ook terecht geen verificatievragen aan klager gesteld. Het tweede klachtonderdeel wordt derhalve ongegrond verklaard.

Advies 42128 juli 2017

Advies 421

> Meervoudig onderhandse procedure voor een raamovereenkomst met één onderneming voor het leveren van juridische dienstverlening. Het gunningscriterium van de laagste prijs is van toepassing verklaard, waarbij om één uniform uurtarief wordt gevraagd. De klacht is tweeledig: 1. Het uurtarief bepaalt slechts ten dele de prijs aangezien het mogelijk is dat een kantoor met een hoger uurtarief efficiënter werkt en de facto een lagere prijs in rekening brengt; 2. De motivering van de keuze voor de laagste prijs als gunningscriterium is ondeugdelijk. De Commissie overweegt dat bij een meervoudig onderhandse procedure het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel van toepassing zijn. De Commissie kan klager niet volgen in haar stelling dat het risico van willekeur zich voordoet. Dat het uurtarief – zoals klager stelt – de prijs van de te leveren diensten slechts zeer gedeeltelijk bepaalt, zou op zich aanleiding kunnen geven tot het stellen van de vraag of beklaagden met dat criterium niet in zoverre een “willekeurig” criterium hebben gekozen dat het nog maar de vraag is of zij er daarmee in zullen slagen diensten in te kopen die een zo groot mogelijke waarde vertegenwoordigen in relatie tot de prijs die zij uiteindelijk voor die diensten moeten betalen. Maar daarmee is nog niet gezegd dat beklaagden met de keuze voor het uurtarief als gunningscriterium hebben gehandeld in strijd met hun verplichtingen tot gelijke behandeling en transparantie, in die zin dat zij daardoor het risico in het leven zouden hebben geroepen dat toepassing van dat criterium zal leiden tot een willekeurige behandeling van de inschrijvers. Het eerste klachtonderdeel wordt derhalve ongegrond verklaard. Klager betoogt met het tweede klachtonderdeel dat beklaagden op grond van artikel 1.16 Aw 2012, gelezen in verband met het bepaalde op pagina 53-54 van de Gids Proportionaliteit, verplicht zouden zijn om de raamovereenkomst in beginsel te gunnen op basis van het gunningscriterium van de beste prijs-kwaliteitverhouding. De Commissie begrijpt dit betoog allereerst aldus dat aan artikel 2.114 Aw 2012 reflexwerking zou toekomen in de context van een meervoudig onderhandse procedure en dat die reflexwerking zou kunnen worden gebaseerd op de toelichting op pagina 53-54 van de Gids Proportionaliteit. De Commissie kan klager daarin niet volgen. De door klager bedoelde passage in de Gids Proportionaliteit slaat duidelijk terug op de eerder in de Gids op pagina 52-53 geciteerde artikelen 2.113 t/m 2.115 Aw 2012, die in het onderhavige geval niet van toepassing zijn. Voorzover klager met het klachtonderdeel betoogt dat de hiervoor genoemde verplichting op beklaagden zou rusten op grond van artikel 1.16, eerste en tweede lid, Aw 2012, kan de Commissie haar daarin evenmin volgen. Aan klager moet worden toegegeven dat – anders dan beklaagden in hun reactie op het klachtonderdeel betogen – niet valt in te zien waarom de in die bepalingen opgenomen verplichting van een aanbestedende dienst om uitsluitend eisen, voorwaarden en criteria aan de inschrijvers en de inschrijvingen te stellen die in een redelijke verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht, zich niet mede zou uitstrekken tot de gunningscriteria. Artikel 1.16, tweede lid, Aw 2012 bevat immers geen limitatieve opsomming, terwijl artikel 1.16, eerste lid, ook overigens melding maakt van “criteria”. Maar het voorgaande laat onverlet dat de verplichting van een aanbestedende dienst tot het hanteren van gunningscriteria, die in een redelijke verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht, zich niet laat concretiseren in een verplichting om in het kader van een meervoudig onderhandse procedure een overheidsopdracht of raamovereenkomst in beginsel te gunnen op basis van het gunningscriterium van de beste prijs-kwaliteitverhouding. Derhalve wordt ook het tweede klachtonderdeel ongegrond verklaard.

Hulp nodig bij aanbestedingen?

TenderView.ai helpt u bij het vinden, analyseren en winnen van aanbestedingen met AI.

Gratis starten